is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 609-610, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M. N. Roushenbach van dit Proefstation vond, dat er kweekgrassen zijn, die 5—9,5 % meer gluten bevatten dan tarwe. Er zijn. individueel grobte verschillen in gehalte en kwaliteit der gluten. Vaneen soort kweekgras; n.l. Agropyron intermedium, werd de bakwaarde nagegaan. Het brood was beter dan van rogg-e. Daarom wordt van tarwe-kweekgraskruisingen voor de korrelkwaliteit meer verwacht dan van tarwe-roggekruisingen. Vooral voor irrigatiedoeleinden wordt verhooging van het eiwitgehalte belangrijk geacht.

Hybriden van lutescenstarwe en melanopustarwe niet Agropyron elongatum en intermedium hadden een gehalte aan droge gluten van 15.5—20 %. Deze hybriden hadden even goede bakwaarde als tarwe. In Agropyron elongatum werd 65,1 % natte gluten gevonden, in Aegilops variabilis 90 % (droge gluten 32 %). Andere Agropyronsoorten bevatten in ’t geheel geen gluten. Ook diverse Elymussoorten en Hordeum secalinum werden onderzocht. Sommige glutens waren zeer slap, die uit Hord. sec., Agr. caninum en Elymus sibiricus echter zeer goed, de kleur der gluten was meestal donker. Dit voorkomen van gluten in diverse kweekgrassen bevestigt de meening van Veroushkine, dat deze grassen, tarwe en Aegilops nauwer verwant zijn dan tarwe en rogge. De kweekgrassen zonder gluten staan weer verder van de tarwe af. Verdere onderzoekingen zijn noodzakelijk. R. H. V. SUIKERBIETEN. 66. GODARD, N. Influence des facteurs climatiques sur la croissance de la betterave sucrière. Annales Agronomiques No. 5, bis. ógó ('37)- Door gedurende de geheele groeiperiode van eind Juni tot begin November iedere week monsters te nemen uiteen daartoe aangelegd proefveld, kon het verband worden bepaald tusschen bepaalde klimatologische factoren en den groei. Zoo werd gevonden, dat het verband tusschen de stralingsenergie per cm2, vermenigvuldigd met het bladoppervlak en de productie van de drogestof kon worden voorgesteld dooreen rechte lijn. Deze lijn wees vooral recht, in ’t geval men slechts de drogestof van de wortel in verband bracht met het product van stralingsenergie en bladoppervlak. De hellingshoek van deze lijn is echter niet dezelfde in verschillende jaren op hetzelfde perceel of op verschillende perceelen in hetzelfde jaar. Wel bleef deze hoek dezelfde als men beschaduwde planten vergeleek met niet beschaduwde planten op hetzelfde perceel, onder verder geheel gelijk zijnde groeicondities. De stralingsenergie gaf dus een zeer nauw verband met de productie. lets minder goed was de overeenstemming met de temperatuur van de lucht. Verder bleek er een duidelijk verband tusschen de bodemtemperatuur en de vertraging van den groei inden herfst, Zoodra deze temperatuur beneden 18 '2o° C daalde bleek de groei zeer sterk te verminderen. Vooral na sterke regens kon men dit verschijnsel waarnemen. Het bleek hierbij echter, dat het slechts het bietengewicht was, dat weinig toenam, de drogestofopbrengstvermeerdering bleek veel minder te worden vertraagd, m.a.w. het drogestofgehalte nam in versnelde mate toe bij bodemafkoeling beneden 18 a 20°. ‘ d 67 CLAASSEN, H. Das Köpfen der Zuckerrüben und scine wirtschafthche Bedeutung. Die deutsche Zuckerind. No. 38 en 39, C 37). Door uitvoerige berekeningen wordt aangetoond, dat men door kleinere koppen af te snijden, dan tot dusverre gebruikelijk is, ongeveer 9 % meer bieten aan de fabriek kan leveren. Deze zijn dan weliswaar iets minderwaardig dan de vroegere sterk gekopte bieten, maar dit verschil wordt ruimschoots goedgemaakt door de daling der vaste kosten t.g.v. het grootere kwantum verwerkte bieten. Even goed als men voor eenige jaren is overgegaan van Z- op E-bieten met eenoo.l % lager suikergehalte, zoo is het evengoed mogelijk iets minder sterk gekopte bieten te verwerken. Deze doen het suikergehalte slechts 0.1—0.2 % dalen. Evenmin zal het rendement van deze bieten belangrijk lager zijn. Weliswaar bevinden zich tamelijk veel nietsuikerstoffen in het bovenste deel van den wortel, maar ook nu worden reeds dikwijls slecht gekopte bieten verwerkt, zonder dat dit duidelijk nadeelen te weeg brengt. Men zou echter kunnen trachten het koppen meer gelijkmatig te doen geschieden door verbetering van de daarvoor gebruikte werktuigen. _ d. H. 68. BORNE, C. Die Bewertung der Zuckerrübensorten für die Erseujung von Futtermitteln. Ccntr. bl. f. d. Zuckerind. Nr. 35, bl. (’37). In t algemeen is bij het beoordeelen van süikerbietenrassen in Duitschland on

260