is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden verkregen en het verdient naar mijn meening dan ook aanbeveling inde door Prof. Mohr aangeduide richting verder te zoeken. Opgemerkt moge echter worden, dat op Madoera vrij veel last van plagen, ook van Earias fabia wordt ondervonden.

Prof. Hudig. Het is bekend, dat men in Egypte en in Amerika bepaalde op basenrijke alluviale gronden katoen teelt en andere gronden uitsluit. Zijn er niet op Java onderzoekingen verricht, die in die richting wijzen? Vrager denkt aan de Sidoardjo-delta en de streek tusschen Djombang, Paree, Wates, Kediri. Antwoord. Inde door Prof. Hudig bedoelde richting wordt voor katoen op Java niet gezocht, aangezien de grond inde betrokken gebieden van te goede kwaliteit is dan dat katoencultuur er een kans zou hebben. Suikerriet en andere gewassen groeien daar uitstekend en dan heeft het weinig zijn er de riskante en weinig loonende katoencultuur te beproeven. Voor katoen komt men steeds terecht in gebieden, waar de grond te slecht is of waar het te droog is voor andere gewassen. In dit laatste geval verkeert de kuststrook van Java tusschen Pasoeroean en Banjoewangi, voorzoover daar althans geen bevloeiing bestaat. Overigens moge er op worden gewezen, dat inde door Prof. Hudig bedoelde gebieden blijkens de ervaring in aangrenzende en tusschengelegen streken met andere grondsoorten veel last zal worden ondervonden van plagen. De Heer Peereboom vestigt de aandacht op de mededeeling van den Inleider, dat bij de proeven op bevloei bare gronden bij – zonder goede opbrengsten waren verkregen; door bevloeiing maakt men zich tot op zekere hoogte onafhankelijk vaneen der belangrijkste risico-factoren bij de katoencultuur, nl. het klimaat. Spreker vraagt waarom de proeven van den Landbouwvoorlichtingsdienst niet meer in deze richting worden geleid. Antword. Inderdaad wordt bij toepassing van bevloeiing de kans op een succesvolle katoenteelt gunstiger, maar op bevloeide gronden zal katoen hebben te concurreeren met andere gewassen, waarvan de verbouw minder riskant en dikwijls voordeeliger is. Inde meeste bevloeibare gebieden op Java zal het klimaat voorts ongeschikt zijn voor katoen. Het onderzoek op bevloeibare gronden wordt inmiddels voortgezet en naar te hopen is zal over enkele jaren bekend zijn, of katoen in daarvoor geschikte gebieden kans heeft ingang te vinden. Dr. Ossewaarde vraagt of aan Inleider bekend is bij welke katoenopbrengst op de genoemde Europeesche ondernemingen de kosten worden goedgemaakt. Antwoord. De eigenaren van landbouwondernemingen, waar de cultuur in het groot wordt beproefd, zijn begrijpelijkerwijze nogal terughoudend in het verstrekken van gegevens over den kostprijs. Daar de katoenprijs op de wereldmarkt sterk schommelt, is het voorts niet doenlijk aan te geven bij welke katoenopbrengst per ha de teelt loonend wordt. Beter kan men hiervoor de geldelijke opbrengst per ha als maatstaf nemen. Onder voorbehoud van mogelijke onjuistheid zou ik als grens voor een loonende cultuur als catch erop op een onderneming met overjarige gewassen, bij voorbeeld kapok, willen noemen een bedrag van f 100.— a ƒ 125.— per ha.

312