is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die op de veldjes elk afzonderlijk in feite bereikt was. Door de baan van punten, die men op deze wijze verkrijgt, laat zich, hetzij op het oog (en meestal is de daarmee bereikte nauwkeurigheid voldoende) hetzij door groepsgewijze uitmeten of uitrekenen, een gemiddelde lijn trekken, die het gezochte verband weergeeft en de resultaten overzichtelijk en bevredigend samenvat.

W. C. Visser gebruikte nu op ingenieuze wijze dergelijke gegevens om de grootte van de fouten bij de opbrengstbepaling en die bij het grondonderzoek (de pH-bepaling) afzonderlijk vast te stellen. Bij het linker, bijna verticale deel van de curve in Fig. 7 geven de horizontale afstanden der punten tot de gemiddelde lijn een aanwijzing over de grootte van de fout bij de pH-bepaling, waarvoor Visser bij een groot aantal waarnemingen 0.18 in pH bij de enkele waarneming (dus 0.125 bij twee parallellen) vaststelde, Het bovenste, vrijwel horizontale deel van de lijn is nagenoeg onafhankelijk van veranderingen inde pH; de afwijkingen der punten van de gemiddelde lijn worden hier veroorzaakt door de fouten bij de opbrengstbepaling, waarvoor bij de enkele bepaling 9 % van de opbrengst gevonden werd. Nog een ander punt kan aan Fig. 7 belicht worden, namelijk het belang om bij een beperkt aantal objecten deze op de juiste wijze te kiezen. Flet is duidelijk, dat men bij een curve als die in Fig. 7 liefst veel punten zal hebben om de bocht nauwkeurig vast te stellen; verder een zeker aantal punten om het ondereinde, en een zeker aantal om het rechter einde vast te leggen. De tusschengelegen rechte stukken volgen dan vanzelf, daar zijn niet veel bepalingen voor noodig. Wanneer men eenmaal den vorm van de te verwachten curve ongeveer kent, zal men de objecten (b.v. pH-trappen; hoeveelheden kali of fosfaat) zoo kunnen kiezen, dat men daarvan bij het opmaken van de curve het meeste profijt heeft. Extreme gevallen zullen daarbij een groote rol spelen, en men zal meer veldjes met b.v. zeer lage pH, waar de oogst dus tamelijk mislukt, nemen dan dat gewoonlijk gebeurt. Op grond van dergelijke overwegingen kiezen wij dikwijls een proefopzet, die van de gebruikelijke afwijkt en waarbij b.v. de nulveldjes of andere extreme objecten sterker vertegenwoordigd zijn. Dit wordt nog nader geïllustreerd door Fig. 8, bl. 352. De zwarte stippen stellen de resultaten vaneen proefveld voor, waarbij men hoeveelheden kali gekozen had, die zich bij de gebruikelijke praktijkhoeveelheid nauw aansluiten, omdat men wilde weten of een verhooging of verlaging van de gift met 40 kg K2O nog voordeel gaf; men meende dit het best te kunnen uitmaken door ook inderdaad deze objecten te kiezen. De kruisjes geven bepalingen aan bij een ander proefveld, waarbij men een beter verdeeling der objecten koos en meer extreme doses nam. De eerste opzet geeft een zwermpje van punten, waaruit niet veel te concludeeren valt; men kan er nauwelijks een gemiddelde lijn door trekken, en als men met de objecten zonder kali verbond,zou men een verkeerd verloop krijgen (gestippelde lijn) en tot verkeerde conclusies omtrent de uitwerking van de bemesting komen. Bij de bovenste helft van Fig. 8 trekt men makkelijk een gemiddelde lijn, die over zijn geheele beloop behoorlijk vaststaat en voor dein het midden liggende praktijkgiften een duidelijk vastgesteld practisch horizontaal verloop heeft, zoodat men met behoorlijke zekerheid conclusies kan trekken.

351