is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als houtvester van de Preanger heb ik indertijd terecht gewaarschuwd tegen de oprichting vaneen lucifersfabriek in dat gewest. Elders op Java gingen er later twee te gronde. De plannen ten opzichte van de Cóte d’lvoire bleken mij eveneens onvoldoende gefundeerd en de Fransche Regeering toonde mijn inzicht daaromtrent te deelen door mij te benoemen tot Officier in de orde van Cambodja. De goedkoope tropische zon en de overvloedige werkkrachten op Java maken het waarschijnlijk, dat van daaruit Centraal-Europa op groote schaal van grondstoffen inde toekomst zal worden voorzien. Maar vooraf moeten de cultures grondig en veelzijdig worden bestudeerd. De resultaten dier onderzoekingen zullen daarna door proefaanplantingen op bescheiden schaal moeten worden gestaafd. Wat zijn er op Java niet schatten verknoeid o.a. bij de kinaen getah pertja-kultuur! Inleider kan de beschouwingen van Prof. Berkhout volkomen deelen. Anderzijds dient echter ook te worden overdacht, dat in Indië reeds veel doch te verspreid en in het klein werd geëxperimenteerd en dat thans in verscheidene gevallen men systematisch aangelegde proeven op grootere schaal wenscht te nemen of zelfs de sprong van het experiment naar de practijk meent te mogen wagen. De Heer G. J. Vink vraagt of dit ook z.i. zeer belangrijke werk van het Boschwezen momenteel nog beperkt is tot Oost-Java. Inleider: Neen, dit werk wordt over geheel Java gedaan. Eenerzijds echter is het in West-Java nog niet zoo ver gevorderd (kwamen de werkschema’s en de oplossing van het vrije staatsdomein daar nog niet gereed), anderzijds heb ik gemeend mij mede op verzoek van de Regelingscommissie van de Indische landbouwweek tot Oost-Java te moeten beperken, waar ik zelf werkzaam was en waarvan ik dus uiteraard beter op de hoogte ben. Prof. Dr. H. A. J. M. Beekman vraagt een technische inlichting. Spreker heeft aangegeven, dat voor zuiver hydrologisch bosch een omloop van 60 jaar zou mogen worden aangenomen. Heeft het echter wel zin om voor zulk bosch vaneen omloop te spreken? En verder berust het genoemde cijfer van 60 jaar op eenigszins exacte gegevens? Inleider: Bij een zuiver hydrologisch bosch denkt men spoedig ook aan een natuurlijke verjonging daarvan. Ineen dergelijk geval zou men den omloop indien daarvan nog gesproken kon worden, op oneindig moeten stellen. Echter is natuurlijk verjonging lang niet altijd overal mogelijk. Ook wordt in bosschen, waarvan de doelstelling een zuiver hydrologische is, nog wel eens gekapt, n.l. de z.°'. ongeregelde exploitatie voor dessawerken, bij rampen van hooger hand. enz. Ook diefstal heeft menig volwassen bosch gedevasteerd. In al die gevallen zal men echter toch den omloop, in deze beter aangeduid als de periode, gelegen tnsschen twee beplantingen van hetzelfde stuk grond, toch nog wel minstens op 60 jaai kunnen stellen. Het was mijn bedoeling er op te wijzen, dat zelfs bij een zoodanigen „omloop” van 60 jaar, zooal die inde practijk bij hydrologische bosschen als minimum mag worden aangenomen, toch nog een zeer sterke uitbreiding van de arbeidsmogelijkheid

371