is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 612, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om nog een stap verder te gaan en te trachten aan de hand van de aantasting van de Mecklenburger iets te zeggen over de daartusschen voorkomende rassen, die in zeer verschillende mate zijn aangetast. Wij mogen bij die verdere beschouwingen geenszins uit het oog verliezen, dat er onregelmatigheden kunnen voorkomen en men mag deze eerste waarnemingen dan ook alleen als aanwijzingen beschouwen, die door de latere rassenproeven zullen moeten worden bevestigd. Door vergelijking met de omgeving komen wij dan tot de volgende aanwijzingen voor de vatbaarheid voor maisroest.. Behalve de Mecklenburger en de Gehu (Koch), die ongetwijfeld zeer vatbaar zijn, kunnen de Zeelandia (die in alle opzichten met de Mecklenburger overeenkomt) en de oudere nabouw van Pommem eveneens zeer. vatbaar genoemd worden. Ook de Blanc des Landes (CB) en de Nano precoce Succi zouden daartoe gerekend kunnen worden. Een tusschengroep, matig aangetast, doch bij welke over de mate van vatbaarheid beter geen uitspraak is te doen, vormen de volgende rassen: Pfarrkirchner, Chiemgauer, Gehu (Koopman), origineele Blanc des Landes, Delilles mittelfrühe, Janetzki, origineele Pommern, Weisze Kaiserstühler, Jaune des. Landes (orig.) en Quebec 28. Als weinig vatbaar deden zich voor: N.H.M., een mais verbouwd door Laarakker (ras onbekend), Giersdorfer, Minnesota 23, Northwestern en Precoce CC. Het is voorts waarschijnlijk, dat de Precoce cinquantino F.S. en de Minnesota 13 onvatbaar zijn; ook de Gelbe Badische Landmais was geheel vrij van roest. Wij maken verder nog de opmerking, dat vele der sterk aangetaste rassen tevens vroegrijpende rassen zijn, alleen de Blanc des Landes is een vrij laat ras. De rassen, die weinig of in 't geheel niet door de maisroest waren aangetast, waren voor onze omstandigheden laat. Einige Beobachtungen üher Maisrost. Zusammenfassung. Im Jahre 1937 wurde auf einem Sortenversuch mit Körnermais in der Provinz Groningen an einer Parzelle der frühen nordamerikanischen Sorte, „Gehu”, Maisrost (Puccinia maydis) beobachtet. Dieser Rost kam in der Umgebung des Versuchsfeldes bis jetzt nicht vor. Im Monat August hat der Rost sich vonder ebengenannten Parzelle aus, schnell über das Versuchsfeld verbreitet, Nach Osten war die Verbreitung viel starker als nach Westen was wohl eine Folge der überherrschenden Westwinde sein wird Die Starke des Befalls ist in nebengehendem Plan angedeutet worden, man bekommt aus diesen Beobachtungen den Eindruck dass die meisten frühreifen Sorten: u.m. Mecklenburger, Gehu, Pommern, Blanc des Landes, Nano precoce Succi, stark vom Rost angegriffen werden können. Nicht viel weniger auch: Pfarrkirchner, Chiemgauer, Delilles Mittelfrühe. Wenig angegriffen wurden: eine Selektion der Niederlandischen Heidegesellschaft, Giersdorfer, Minnesota 23, Northwestern, Precoce C.C. Kein Rost wurde gefunden auf: Precoce cinquantino F.S., Minnesota 13 und Gelber Badischer Landmais, die alle spater, in Groninger nur ausnahmsweise, reif werden.

454