is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 613, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over deze verschillende nieuwe aminozuren kan het volgende in het kort worden medegedeeld: Het methionine is door Abderhalden & Heyns (4) in hoorn gevonden. Door Pirie (5) is deze vondst bevestigd; echtei niet in hoorn maar in caseïne. Terwijl de eersten in hoorn slechts een gei'ing percentage vonden, n.l. 0.02 */o, dooi den laatsten in caseïne 1.4 °/o aangetoond. Bij latere bepalingen bleek het methionine-gehalte van caseïne zélfs 3.5 °/o te zijn. Ook in andere eiwitten werd het in niet onbelangrijke hoeveelheden aangetroffen. In fibrine vond men 2.4 °/o, in edestine 2.1 °/o, in lactalbumine 2.6 %, in zeïne 2.4 °/o en in arachine 0.5 °/o. Het methionine werd reeds in 1933 geïsoleerd uit caseïne, ei, wol en edestine, maar is pas in 1936' als bouwsteen van het eiwit officieel erkend. Het thyroxine is als hydrolyse-product van de schildklier reeds sedert 1916 bekend en werd tot nu toe als zoodanig als hormoon opgevat. Later heeft men bemerkt, dat er nog een hormoon door de schildklier gevormd werd, n.l. het jodgorgosuur. Beide konden door fermentatieve splitsing met behulp van pepsine en trypsine uit schildklierweefsel verkregen worden. Beide aminozuren zijn jodiumhoudend. Door Poster (6) werd uit thyreoglobuline 33 % thyroxine gewonnen. Door Abelui Sr JVegehn (7) worden, van physiologisch standpunt uit, beide bovengenoemde aminozuren als antagonisten beschouwd. In hoeverre deze opvatting juist zal blijken te zijn moet nog uitgemaakt worden. Proeven met het doel na te gaan, of beide aminozuren gezamenlijk of het thyroxine alleen (jodgorgozuur is op zichzelf onwerkzaam) de schildklierwerking kan vervangen, hebben geen overtuigende en eensluidende uitkomsten opgeleverd. Het is niet onmogelijk, dat er nog meer stoffen zullen blijken te zijn die met de reeds bekende _ samen moeten werken voor een volledig vervangen van de schildklier. Doordat de thyroxine als hormoon uitvoerig bestudeerd is, is er als aminozuur meer van bekend in physiologisch opzicht dan van de andere aminozuren. Om één van de belangrijkste functies te noemen: thyroxine heeft de eigenschap, de stofwisseling te verhoogen, waarbij dan het zuurstofverbruik toeneemt. Daarnaast zou thyroxine volgens Liddell & Simpson (8) de spierkracht en de beweeglijkheid bevorderen. Wat het hydroxyqlutaminzuur betreft zij slechts opgemerkt, dat dit aminozuur door Da kin (9) ineen belangrijke hoeveelheid in caseïne werd aangetoond (10.5 °/o). Jones Sr J o hits (10) vonden het in lactalbumine ineen gehalte van 10 %. Tenslotte het laatste en tevens het meest interessante: het aamino -/?- hydroxybo ter zuur, dat door W. C. Rosé en zijn medewerkers gevonden is. Het onderzoek van Rosé c.s. (11) was opgezet met het doel het eiwit vaneen ratten diëet dooreen aminozuurmengsel te vervangen. Zij kwamen zoover, dat een aminozuuimengsel, waaraan nog een „unknown essential was toegevoegd, goeden groei bleek te geven. De onbekende factor bleek bij nadei onderzoek uit 2 aminozuren te bestaan: het isoleucine en hetaamino-fi- hydroxyboterzuur. Beide bleken ineen niet onbelangrijke hoeveelheid aanwezig te moeten zijn, wilde men normalen groei verkrijgen. Van het kristallijne n-amino -/3-hydroxyboterzuur was 0.4 0.5 <yc noodig. Indien deze proeven van Rosé herhaald en bevestigd worden, beteekent dit een groote stap verder op voe-

533