is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 613, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het plasma daalde, waaruit men zou mogen besluiten, dat de roode bloedlichaampjes bij het vervoer van de aminozuren één of andere rol spelen.

In aansluiting op het bovenstaande is het hier tevens de plaats, de uitkomsten van de onderzoekingen van Bickel (20) kort weer te geven. Bickel heeft zich bezig gehouden met de veel omstreden vraag, welke de meest gewenschte hoeveelheid eiwit voor den mensch is en of aan plantaardig- of aan dierlijk eiwit of aan een combinatie van beide de voorkeur moet worden gegeven. Aan de hand vaneen beschrijving van de geografische verbreiding en de ontwikkelingsgeschiedenis van het menschdom maakt Bickel het aannemelijk, dat de gemengde voeding, waarbij dierlijk en plantaardig voedsel elkander afwisselen en aanvullen, de meest natuurlijke voedingswijze is. Verder heeft Bickel experimenteel nagegaan, welke veranderingen er inde stofwisseling optreden, wanneer de hoeveelheid eiwit tot een minimum beperkt wordt. Volgens de opvatting van velen zou eerst dan pas schade worden ondervonden vaneen eiwitarm rantsoen, wanneer de stikstofbalans negatief wordt. Uit het onderzoek van Bickel blijkt nu, dat bij het voortdurend verlagen van de eiwitopname, lang voordat een negatieve balans optreedt, reeds abnormale oxydatie-processen ontstaan. De verhouding van koolstof tot stikstof inde urine is onder normale omstandigheden een vrij constante waarde. Indien echter de koolhydraten niet volledig tot C02 en HaO geoxydeerd worden, worden overtollige koolwaterstoffen door de nieren uitgescheiden. Hierdoor zal de verhouding C/N stijgen. Door het verlagen van het eiwitgehalte van het voedsel bleek nu de C/N-verhouding aanmerkelijk toe te nemen, waaruit volgt, dat de koolwaterstoffen van het voedsel tengevolge van onvoldoenden eiwittoevoer niet volledig kunnen worden benut. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor, indien geen volledig eiwit wordt verstrekt (biologisch volwaardig eiwit), terwijl er quantitatief ruim genoeg wordt gegeven. Speciaal doet zich dit voor wanneer gebruik wordt gemaakt van uitsluitend plantaardig eiwit. Het geven van aminozuren als aanvulling had niet het gewenschte succes, hoewel dit theoretisch wel mogelijk moet worden geacht; wel kreeg men weer een normale C/N-verhouding door dierlijk eiwit te verstrekken. Vetten en Vetzuren. Verschillende vraagstukken, de vetstofwisseling betreffende, zijn, vanuit landbouwkundig oogpunt bezien, van veel belang. Dit is ten eerste het geval met het vraagstuk van de hardheid van het spek en ten tweede het vraagstuk van de stevigheid van de boter. Het is bekend, dat bepaalde voedermiddelen gunstig, andere ongunstig op de hardheid of stevigheid van beide bovengenoemde producten inwerken. Er bestaat echter nog weinig klaarheid over het verband tusschen de hardheid dezer producten en den aard van het vet der verstrekte voedermiddelen. Zeer waarschijnlijk zal het verband wel gezocht moeten worden inde chemische structuur der voedingsvetten, met name de verhouding der verschillende vetzuren. Omtrent de vetzuren-samenstelling onzer voedingsvetten zijn we helaas nog zeer onvolledig georiënteerd. Dit komt voor een belangrijk deel hierdoor, dat het

536