is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 614, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

proeven van Knijper en Wiersum, Cajlachjan, Moschkov en zijn eigen proeven. Zoals reeds in het begin opgemerkt werd, meenden wij dat er toch reden was om de proeven van 1936 met soja nog eens te herhalen. Wij brengen even in herinnering hoe die proeven genomen werden. Het soja-ras „soja a graines jannes” van Vilmorin bloeit onder normale dagduur in ons land niet. Er werden nu planten bij een dagduur van 9j/2 uur gekweekt, die tot bloei overgingen. Toppen van deze planten werden, wanneer het stadium van knopvorming bereikt was, geënt op onderstammen van in lange dag gegroeide exemplaren. Deze onderstammen ontwikkelden dan okselspruiten en deze okselspruiten gingen tot bloei over. De omgekeerde enting werd ook uitgevoerd, maar had een dubieus of negatief resultaat. Als controle dienden in 1936 een aantal met lange dag behandelde planten, die aan dezelfde groeivoorwaarden waren blootgesteld als de geënte exemplaren. Er ontbraken dus controle-planten, die eenvoudige op zichzelf geënt waren en planten, die alleen maar getopt waren. Wij achten deze onvolledigheid in onze controle van genoeg belang om de proeven nog eens over te doen. De entingen werden uitgevoerd door Dr. Schuurman, die ook het toezicht uitoefende op de verdere verzorging der planten. Twee rassen werden gebruikt n.l. hetzelfde Vilmorin ras als in 1936 en een Java ras, Ked. 29, waarvan zaad aanwezig was, dat 3 jaar geleden ontvangen werd uit Buitenzorg en zaad, dat in 1936 hier geoogst werd van planten, die bij korte dag gekweekt waren. Bij normale dag komt dit tweede ras nooit in bloei. In 1936 was gebleken, dat het aanslaan der enten enige moeilijkheden opleverde; het plaatsen van de verente exemplaren onder glazen stolpen in zwak licht om de verdamping op een laag peil te houden, bleek vooral nodig om geslaagde enten te krijgen. Met toepassing van de ervaring van 1936 sloegen de enten in 1937 vee! beter aan; er werd o.a. ook nog veel meer op gelet, dat ent en onderstam dezelfde dikte hadden, terwijl het bleek, dat het laten zitten van één of meer bladeren aan de onderstam zeer gunstig op het slagen werkte. Wij kregen in 1937 dan ook veel betere vergroeiing, wat, zoals later zal blijken, wellicht niet eenvoudig zonder meer een voordeel is geweest. Wij hielden nu naast de proefplanten met k.d. ent op Ld. onderstam of Ld. ent op k.d. onderstam de volgende controles aan: ie. lange dag planten, die op zich zelf geënt worden, om de invloed van het enten als zodanig na te gaan. 2e. lange dag planten, die zonder enting, volkomen naast de geënte planten werden opgekweekt, dus ook even lang onder de stolp en even lang in zwak licht gehouden werden. 3e. lange dag planten, die voortdurend onder de normale omstandigheden buiten werden opgekweekt. 4e. lange dag planten, die getopt werden en,daarna onder normale omstandigheden opgroeiden. Zoals reeds gezegd is, bleek het nodig de geënte planten een tijd lang onder een stolp te houden; de gemiddelde duur van deze periode was van 13 tot 15 dagen; merkwaardig is wel, dat deze duur het kortst was (12.85 dag voor 20 planten) voor de planten,

585