is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 614, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genomen met x-naphtaleen-azijnzuur ineen concentratie van 30 40 pro mille Scheutstekken van verschillende vruchtsoorten werden gedurende o-18 uur in deze oplossing geplaatst en de wortelvorming nagegaan na 4 weken. 30 pro mille gedurende 12 uur gaf bij Myrabolaan B de beste resultaten. 40 pro mille gedurende 12 uur gaf de beste resultaten bij bepaalde zaailingen van peer, die men als onderstam wil gebruiken. Ribes nigrum (zwarte bes) wortelt belangrijk vlugger dooreen dergelijke behandeling, terwijl ook de vijg gemakkelijk wortelde na de groeistofbehandeling. 114. HARTSEMA, A. M. Periodieke ontwikkeling van Gladiolus hybridus var. Vesuvius. Verhand. Kon. Akad. IVetensch. Amsterdam, afd Natuurk. 2e Sectie, deel 110.3 (37). Ook Meded. no. 52 Lab. v. plantenphysiologisch Onderzoek, Wageningen. 34 AA De .periodieke ontwikkeling van de knol van de gladiool werd nagegaan. Hierbij werd gevonden, dat ze veel overeenkomst vertoont met die van de bol-iris. Zoo is er nog geen spoor van bloemvorming te vinden, wanneer de knollen in het voorjaai worden uitgeplant. oir Er ontstaan aan de nieuwe knol eerst 9—-n schubben, daarna 7"~° tooi bladeren, waarna de bloemvorming begint. Van de bloemdeelen worden eerst de meeldraad-primordia gevormd, daarna pas de groeipunten van de bloemdekbladeren. Het aantal bloemdragende bracteen, dat wordt aangelegd m één jaar, bedroeg in 1927: 17,5, terwijl er slechts gemiddeld 11,3 bloemen werden gevormd. Dit komt, omdat de bovenste bloemaanlegsels verdrogen. Zoo worden er ook zij-aartjes aangelegd, waarvan het aantal bloem-aanlegseis wisselde van 6 tot 12. Deze aartjes komen echter ook slechts bij uitzondering tot ontwikkeling. , , , , 37 teekeningen, die B. J. van Tongeren op de bekende duidelijke wijze heeft verzorgd, stellen den lezer inde gelegenheid zich van de ontwikkeling van bol tot bloem een duidelijke voorstelling te vormen. J. B. DIVERSEN. 113, CUMMINGS, R. W. Soils in Relation to fruit growing inNew-York, Part. XI: The organic matter content of New-York orchard soils in relation to orchard performance. Cornell Un. Agr. Expt. Sta. Buil. 672 p. 1—26. (’37). Het stikstof- en humusgehalte m96 gronden werden onderzocht. Er kon geen correlatie worden gevonden tusschen het gehalte aan humus en de vruchtbaarheid. Zulk een corielatie bestond ook niet tusschen de vruchtbaarheid (opbrengst) en resp. de verhouding C ; N, de verhouding humus : N, etc. J-116. NICOLAI NICOLAISEN. Studie'én am Deutschen Tomatensortiment als Grundlage für eine Sortenbereimgung. Kühn-Archiv, Ba. 42, p, in—lßl, (1937). De schr. onderzocht en kweekte 124 tomaten-vaneteiten waarvan een twintigtal in 6 achtereenvolgende jaren. De planten konden in 7 typen worden ingedeeld, waarvan enkele reeds als jonge plant waren te herkennen. De schr. heeft van al deze tomatenrassen de meest uiteenloopende bepalingen gedaan waaruit een onwaarschijnlijk groote tabel is samengesteld. Hij beveelt aan de verschillende vormen te kruisen zoodat een tomaat wordt verkregen, die resistent is tegen verschillende ziekten en verder veel goede eigenschappen als mooie vruchtvorm, hooge opbrengst etc. bezit. Hoewel ook var. als Ailsa Craig, Westlandia, Tuckwood e.d. werden onderzocht, hebben deze onderzoekingen voor ons land weinig beteekenis, daar de tomaten inden vollen grond werden verbouwd. J. B. Veeteelt – Veevoeding MINERALEN. 117. FAIRBANKS. Effects of mineral deficiencies in animals. N. Amer. Vet. Bd. JB, No. 10 C 37). Uit proeven door Fairbanks genomen, is gebleken, dat het element Magnesium onontbeerlijk is voor een juiste voeding van het dier. Kalveren, opgefokt met uitsluitend melk, vertoonen symptomen van nervositeit, en convulsies, terwijl het magnesiumgehalte van het bloed laag was. Als dit werd verhoogd door de gift van magnesiumphosphaat werd de toestand beter. De toestand, bekend als grastetanie of kopziekte, optredende bij koeien, nadat zij op het gras zijn gebracht na een staltijd, wordt veroorzaakt, doordat het magnesiumgehalte van het bloed bij de aangetaste dieren laag is, waarbij een intraveneuze injectie van calcium- en magnesiumzouten een resultaat opleverende behandeling is. In districten, waar het land en het water onvoldoende jodium bevatten, ziet men ook nadeelige gevolgen van dit jodmmgebrek. Tn dergelijke streken geeft eveneens een jodiumverstrekking een gewenschte verbetering. G.

650