is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 615-616, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LANDBOUWKUNDIG TIJDSCHRIFT MAANDBLAD VAN HET NEDERL. GENOOTSCHAP VOOR LANDBOUWWETENSCHAP 50ste JAARGANG No. 615/616 AUG./SEPT. 1938

De Biologisch-dynamische Landbouwmethode door Ir. W. G. VAN DER KLOOT. Die biologisch-dynamische Wirtschaftsweise. Zuzammenfassung S. 688. (Vervolg van blz. 582). IV. Bemesting. Denkt men zich de levende natuur zonder ingrijpen van den mensch, dan heeft men een toestand, waarin geen voedselgebrek behoeft te ontstaan. Zelfs al wordt b.v. door niet-vertering (veenvorming) geregeld een bepaalde hoeveelheid organisch materiaal uit de kringloop onttrokken. De mensch kon dus vroeger ook leven van het overschot, dat de natuur gaf. Naarmate echter de cultuur intensiever wordt en de bevolking dichter, ontstaat een grooter voedselgebrek voor de planten, temeer ook doordat het organisch materiaal, dat de mensch verbruikt, inde moderne tijd slechts voor een klein gedeelte weer aan de bodem ten goede komt. Zelfs al zou b.v. het stedenafval zorgvuldig worden verzameld (behalve de menschelijke faecaliën, want deze hebben volgens de anthroposofen als meststof weinig of geen waarde), dan nog zou in een dicht bevolkt land als het onze, de beschikbare hoeveelheid organische mest onvoldoende zijn. Ook van anthroposofische zijde zou men dit kunnen toegeven, want de werking van de door hen bij de bemesting gebruikte preparaten maakt het mogelijk, dat de productie bij de o.i. onvoldoende hoeveelheid mest niet achteruit gaat. Daar er van vele kanten zeer onjuiste voorstellingen vaneen en ander worden gegeven en men de anthroposofen verwijt, dat zij de planten geheel van de lucht zouden laten leven, wil ik er de nadruk op leggen, dat zij geenszins ontkennen, dat de planten b.v. kalk, stikstof, phosfor en kali, noodig hebben voor hun groei. Zij beschouwen alleen de invloed van deze elementen als niet van stoffelijke aard. Hoofdzaak voor het plantenleven zijn, zooals we verderop zullen zien, de vormings-krachten. Inde gewone landbouw heeft de toepassing van kunstmeststoffen het ontstane tekort aangevuld. Kunstmest gebruikt men niet voor het gemak, maar hij is ten deele noodzakelijk en heeft de ontginningen mogelijk gemaakt. Het spreekt vanzelf, dat door verkeerde toepassing van kunstmest, onvoldoende kennis en gemakzucht groote fouten zijn gemaakt. Men ziet telkens weer met een belangrijke vinding, dat men eenige tijd denkt, dat men nu de natuur wel geheel en al inde hand heeft. Natuurlijk hebben de eerste gunstige resultaten de meening versterkt, dat de planten uitsluitend met chemische verbindingen te voeden waren (tijd van Liehig). Doch

661