is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 615-616, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inde laatste jaren komt men van het uitsluitend mesten met kunstmest weer voor een deel terug. Men geeft af en toe natuurlijke mest om b.v. het bodemleven te bevorderen. Want dat een voortdurende kunstmestbemesting een eenzijdige of verarmende invloed op het bodemleven kan veroorzaken, is wel aangetoond. Vanzelfsprekend heeft de aanwending van kunstmest ook een tegenstrooming doen ontstaan. Voor zoover deze niet voortkomt uiteen bepaalde levensopvatting, is het motief in vele gevallen slechts een intuïtief, verzet tegen de moderne landbouwbedrijfsvoering. Men registreert vanzelfsprekend alle gevallen, waarbij van een nadeelige invloed van de kunstmest gesproken kan worden, helaas zonder zich inde regel af te vragen of dit ook door onoordeelkundige aanwending daarvan is ontstaan. In dit werk zal in hoofdzaak besproken worden, wat van anthroposofische zijde ten bewijze tegen de kunstmest en vóór hun landbouwmethode wordt aangevoerd. Begrijpelijkerwijze maken de anthroposofen bij hun argumentatie tegen de kunstmest ook een dankbaar gebruik van uitspraken van kunstmesttegenstanders-nietanthroposofen, zoodat deze dan vanzelf ter sprake komen. Is de bemesting oorzaak van de nood inde landbouw? Barisch (1934) geeft uitvoerige beschouwingen over dit onderwerp. Zooals hij zelf ook aangeeft, ligt deze nood voor een groot deel op economisch gebied. Het gebruik van machines en kunstmest beteekent meer aanwending van kapitaal en verhooging van vaste lasten. Dit brengt een groote afhankelijkheid van de conjunctuurschommelingen met zich mede. Economische crises treffen dus tegenwoordig de landbouw veel zwaarder dan vroeger. Men kan al om deze reden de kunstmest veroordeelen, doch op dit standpunt wil ik hier niet nader ingaan. Daarnaast voert Bartsch talrijke citaten aan, die op een toenemende achteruitgang van de oogst wijzen. Voor zoover deze citaten met cijfers zijn gedocumenteerd, is het jammer, dat zij op vooren na-oorlogsche toestanden in Duitschland zijn gebaseerd. Men kan toch immers niet aannemen, dat de toestanden na de oorlog even gunstig waren als daarvoor. Aangehaald worden indexcijfers betreffende de totale oogstopbrengsten van enkele gewassen in Duitschland (1929). Aannemende, dat de cijfers juist zijn, valt op, dat de laagste opbrengsten inde jaren 1920 en 1924 voorkomen. Inde gunstige conjunctuur jaren 1928, 1929 is een duidelijke stijging waar te nemen: de opbrengsten zijn overwegend grooter dan het gemiddelde van vóór de oorlog. Alleen hooi maakt hierop een uitzondering. Op de niet met cijfers voorziene uitspraken is geen critiek mogelijk. Doch aangenomen kan zelfs worden, dat zij juist zijn, want zooals reeds vermeld, zijn er vooral vroeger talrijke fouten inde bemesting gemaakt, waardoor het in het geheel niet uitgesloten is, dat de kunstmest in bepaalde gevallen nadeelig heeft gewerkt. Het is jammer, dat de anthroposofen maar al te vaak hun critiek richten op deze gevallen en niet op de uitkomsten door moderne wetenschappelijke inzichten op bemestingsgebied verkregen. Verder worden aangehaald talrijke vergiftigingsgevallen met kunstmest of plantenziektenbestrijdingsmiddelen verkregen. Dit zijn echter geen bewijzen tegen het gebruik van genoemde middelen, maar alleen aanmaningen tot een voorzichtiger aanwending daarvan. Vermeldenswaard is tenslotte nog een artikel van V. Kapff (1935) Hij keert zich tegen het gebruik van chemische middelen

662