is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 617, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

centages erts behooren niet tot de uitzonderingen en daarmede is de mogelijkheid tot selectieve opeenhooping ineen bepaalde fractie geschapen, met dientengevolge een groote kans, dat de te berekenen U-waarden tot een onjuiste benaming zouden leiden. Een tweede overweging is nog, dat ook bij gelijke S. G.-waarden slechts het uitwendig oppervlak wordt bepaald, terwijl bij de zeer raak uit puimsteenachtige fragmenten opgebouwde vulkanische gronden een inwendig oppervlak aanwezig is, dat veel grooter en voor het physisch-chemisch gedrag van de gronden veel belangrijker is. Bovendien moge nog als bezwaar naar voren worden gebracht, dat bij de gegeven indeeling de fracties met de diameter van i.o en 0.850 mm ontbreken, tengevolge van de discordantie tusschen de resultaten van plaat- en draadzeven. Dr. H. J. Hardon, bodemkundige aan het Bodemkundig Instituut te Buitenzorg, die een onderzoek instelde naar den invloed van het zeeftype op de bij de zeefanalyse van zandfracties verkregen resultaten, uit ineen desbetreffend rapport x) de meening, dat de plaatzeef als de meest ideale zeef mag worden aangemerkt, zoodat het aanbeveling zou verdienen, de diameter-grenzen van de draadzeef fracties met een factor, i.c. 1.18, te vermenigvuldigen, ten einde de gewenschte aansluiting te verkrijgen (11). Los echter van dein het voorgaande naar voren gebrachte bezwaren, zij nog op het volgende gewezen. Wil men een rationeele indeeling van den geheelen grond, dan is het gewenscht, dat het verloop van de gekozen fractiegrenzen tot de fijnste fractie consequent wordt doorgevoerd. Zooals reeds werd opgemerkt is dit bij de verkozen indeeling niet geheel het geval, terwijl voor de fijnere fracties waarden zouden worden verkregen als 11—8 fi en B—6 /j . Beter ware het te trachten een zoodanige indeeling op te stellen, dat eenerzijds de grootte van het interval ( A) gedeeld door de daarbij beboerende gemiddelde korrelgrootte (d) constant is, respectievelijk, dat een bepaalde regelmaat wordt bereikt, terwijl anderzijds de aansluiting aan het decimale stelsel niet verloren gaat. In dit verband zij gewezen op de door Fisher (1) voorgestelde verdeeling 200—100/x, 100—50 fx, 50—20 /x, 20—10/<, 10—5/t, .... , A 226 5—2 /<, waarbij de waarde als volgt verloopt ’— ’ enz. Hierbij wordt direct aangesloten aan de tijdens het 2de Internationaal Congres voor Bodemkunde in 1930 (7) opgestelde klassen 2000—200 u, 200—20 en 20—2 f-i en de meer gedetailleerde Amerikaansche indeeling (6), 2000—200 ,m, 200—100 u , 100— 5° 5°—IO_ W 10—5 , 5—2 fx en <2 u. Bij de indeeling van Fisher wordt bovendien de belangrijke fractie 50—20 ,u verkregen, in welke fractie zich bij aeolische afzettingen (löss) 60—80 % van het materiaal ophoopt (zie o.a. Grahmann (2) en Scheidig (9). Wil men bij een dergelijke fractie-indeeling nu de textuur van den grond nader analyseeren, dan zij hiervoor op de methode van Aiggli (5) gewezen, waarbij men als volgt te werk gaat. Het sediment wordt inde eerste plaats nader geanalyseerd door x) Wordt gepubliceerd in het volgend nummer van dit tijdschrift RED.

778