is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 617, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is onmiskenbaar, dat de optimale opbrengsten bij de drie gekozen kalitrappen bij ongelijke stikstofgiften verkregen worden, en niet, zooals Mitscherlich bewijzen wilde, bij dezelfde stikstofdosis. Kritiek tegen deze opvattingen is dan-ook in velerlei vorm geuit, zie o.a. de kritische samenvatting van Rippel (26). Slechts als een zeer algemeen gestelde regel bezit de wet wellicht een zekeren biologischen grondslag, men zie hiervoor blz. 800. Het kan thans echter wel als vaststaand worden aangenomen, dat de opbrengstkromme geenszins onder ongelijke nevenomstandigheden altijd gelijkvormig is, en dat aan zoogenaamde grensgetallen en optimumwaarden slechts een gemiddelde, maar niet een voor elk bizonder geval geldende waarde toekomt. Indien deze opvatting juist is, kan de vraag opkomen, of deze inden vorm van de opbrengstkromme mogelijke wijzigingen wellicht aan bepaalde regels onderworpen zijn, en verder welke oorzaken het zijn, die bewerken, dat het verband tusschen de opbrengst en de groeifactor zich wijzigt. Een zekere regelmatigheid inde wijze, waarop zich vormveranderingen voltrekken, blijkt in verschillende onderzoekingen (o.a. van Rippel, 26, Meijer, 16, Mitscherlich, von Boguslawski en Gutmann, 22, Kletschkowsky en Shelesnow, 11, Lemmermann, Hasse en Jessen, 12) te bestaan. Het wekt namelijk meermalen den indruk, dat de optimale opbrengst bij een des te grootere waarde van den groeifactor gevonden wordt, naarmate het vruchtbaarheidsniveau hooger ligt. In fig. 1 blijkt hetzelfde: wij zagen een verplaatsing van het optimum naar rechts, d.w.z. naar een grootere N-dosis, bij hooger, de opbrengst vermeerderend, niveau van de K-bemesting. Deze uitkomsten vonden hun uitdrukking inden regel van Rippel, welke zegt, dat de werkingsfactor (c) des te grooter is, naarmate de basisbemesting geringer is. De genoemde proeven zijn evenwel alle in potten of in cultuurkolven genomen; het blijft aan twijfel onderhevig, of deze regelmaat ook onder de verhoudingen van veldproeven gevonden zal worden. Als oorzaken van variatie inden vorm van de opbrengstkromme zijn twee hoofdredenen aansprakelijk te stellen; de eerste is gelegen inde methode van grondonderzoek, de tweede inde wisselende eigenschappen van de plant. Geen enkele methode van grondonderzoek is namelijk in staat volkomen datgene aan te geven, wat voor de plant ineen concreet geval inden bodem beschikbaar is. Zoo kan b.v. het P-getal weliswaar een aanwijzing geven over de oplosbaarheid van het fosfaat in het bodem vocht, maar geen nauwkeurig inzicht inde beschikbaarheid, zooals deze ineen bepaald geval werkelijk is. Dit heeft noodzakelijk tot gevolg, dat het verband tusschen de reactie van de plant en den bewusten bodemfactor onder invloed staat van nevenomstandigheden, die door deze bedoelde bodemfactor niet tot uitdrukking worden gebracht, ofschoon zij wel mede de beschikbaarheid bepalen. De tweede reden is, dat de wijze waarop het gewas reageert, onder invloed van nevenfactoren, die op de planten inwerken, verschillend kan zijn. De invloed van deze andere factoren kan zoo groot zijn, dat de plant in verschillende physiologische toestanden kan komen te verkeeren (licht- en schaduwplanten, xerophiele of hygrophiele aanpassingen, enz.). Op beide punten zal inde volgende paragraaf nader worden ingegaan.

797