is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 617, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boekbesprekingen. E. KLAPP. Wiesen und Weiden. Uitq. Paul Parev 1018 338 bis. y's

De ondertitel luidt Anlage, Pflege und Nützung von Grünlandflüchen. Dit laatste is eigenlijk een betere benaming voor het boek, want Klapp geeft m het werk zelf duidelijk aan, dat de onderscheiding „Wiesen” en „Weiden” niet meer in overeenstemming is met de opvatting, die over het juiste gebruik van grasland bestaat. Het werk is zeer veelzijdig en behandelt alle vraagstukken, die met de weidebouw samenhangen. Wel is waar is de uitgebreidheid dei verschillende onderdeelen niet geheel in overeenstemming met de beteekenis er van en laat de schr. zich ó.i. wel eens wat al te veel leiden door datgene wat in het hedendaagsche Duitschland sterk op de voorgrond staat, maar het is over het geheel genomen zeer systematisch en overzichtelijk opgezet. De stof is verdeeld' over een zevental hoofdstukken, n.1.: I. Bedeutung, Zustand und Wachstumsgrundlagen des Grünlandes. Hierin worden de algemeene grondslagen voor het milieu geschilderd en tegelijk m algemeene zm de typen, die er in Duitschland voorkomen, beschreven. Het valt op hoe men daar er reeds in geslaagd is de verschillende typen in kaart te brengen en te beschrijven, al ontkomt men niet aan de indruk, dat het vrij schematisch moet zijn. H. Regelung der Wasservérsorgung. Dit hoofdstuk is vrij zwak en stelt R>1 het lezen duidelijk het gebrek aan .exacte gegevens op dit gebied in het licht. Het heele hoofdstuk is een opsomming van opvattingen, die men elkaar na schrijft en die geenszins berusten op proefnemingen. Af en toe komt men een cijferreeks tegen, die slechts bij oppervlakkige beschouwing een bevestiging van de gestelde opvatting kan zijn, maar bij nader bekijken geenszins de toets der kritiek kan doorstaan. Veel beschouwingen in dit hoofdstuk zijn ontleend aan de onderzoekingen van het Bremer Veenproefstation, die echter slechts beperkte geldigheid hebben. III. Urbarmachung (Ödlandkultur) und Grünlandverbesserung. Dit zeer uitvoerig hoofdstuk maakt het boek beslist onevenwichtig. Ook hierin staan vele verklaringen en beschouwingen, die zeer logisch lijken maar door geen enkel experiment worden gesteund. Het is een wijze van schrijven, die men in de landbouwliteratuur reeds vaker is tegengekomen, maar m.i. groote bezwaren heeft. Het klinkt dikwijls zoo logisch, dat men het zonder meer overneemt, totdat er een nuchter mensch komt, die zich afvraagt waarom het zoo zou zijn en de bevestiging in de vorm van het experiment vraagt en dan blijkt dat men van verkeerde veronderstellingen uit is gegaan. Beide hoofdstukken II en III zijn zwakke plekken in het boek van Klapp. Er is met zorg materiaal bijeen gebracht, maar onvoldoende kritisch bekeken en teveel is er gestreefd naar een afgerond geheel, waarbij uitvoerige betoogen het gebrek aan experimenteele grondslagen moesten overbruggen. De uitvoerigheid waarmede het vraagstuk van de verbetering en ontwatering is behandeld, komt waarschijnlijk voort uit de groote activiteit, die op dit gebied in Duitschland wordt ontplooid. IV. Futterpflanzen und Neuansaat. Dit hoofdstuk behandelt een onderdeel dat op een geheel ander terrein ligt en hier toont de schr. zich van een veel betere kant. Vele verklaringen en opvattingen loopen eveneens dood op gebrek aan goede gegevens, maar er wordt minder naar een verklaring gezocht en meer_ gewezen op datgene wat voor een goed inzicht nog ontbreekt aan onze kennis op dit terrein. Eigenlijk komt het heele betoog neer op de grondslag, die in ons land Zijlstra ook reeds dikwijls naar voren bracht, n.1. bij inzaaien het omringende goede grasland als uitgangspunt nemen. V. Die Düngung des Grünlandes. In 'dit hoofdstuk wordt vooral sterk de nadruk gelegd op de beteekenis van de stikstofbemesting op grasland, maar de wijziging, die door de toepassing in de heele bedrijfsorganisatie dient te worden gebracht, wordt toch nog onderschat. Ondanks het streven om weiden en maaien minder streng gescheiden te houden en de voorwaarden te scheppen, die afwisselend gebruik waarborgen, ontkomt Klapp toch nog niet aan de verouderde opvattingen, en zijn de beschouwingen omtrent de bemesting niet in overeenstemming met de voorstellingen, die bijv. Geith in zijn „Neuzeitliche Weidewirtschaft” (Bespreking in het Juninummer) wel geeft. Als uitgangspunt neemt Klaop nog het kwantum plantenvoedende stoffen, dat de oogst onttrekt. Dit is niet meer houdbaar, als wij bedenken, dat de sterk wisselende groeisnelheid van het gras zeer

840