is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 618, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitvoerige gegevens over de vergelijking van N-giften op verschillende tijden bij granen, en wel inde eerste plaats bij tarwe. Late N-aanwending (vóór of na den bloei) heeft inden regel weinig invloed op de opbrengst aan korrel en stroo; ook hl-gewicht en 1000-korrelgewicht worden weinig beïnvloed. Daarentegen worden het eiwitgehalte en het gehalte aan „nat gluten” er zeer duidelijk door verhoogd, terwijl de glutenkwaliteit er niet door veranderd wordt. Grooten invloed hebben de weersomstandigheden; het meeste effect op het eiwitgehalte vindt men bij het geven van de late N-gift ineen regenrijke periode. Bij zomertarwe is de eiwitproductie het grootst bij N-bemesting na den bloei, bij wintertarwe juist bij een late Ngift voor den bloei; 40 kg ha N gaf steeds een grooter effect dan 20 kg. Ook bij deze onderzoekingen is de vorm, waarin de meer opgenomen stikstof zich inde korrel bevindt, nog niet nader bestudeerd. Het lijkt echter wel waarschijnlijk, dat dergelijke extra N-giften op een laat tijdstip over het algemeen gunstig op de kwaliteit van het graan als voedermiddel zullen werken. T. v. I.

iBy. NEHRING, K., PFAFF, C„ SCHMITT, L. en SCHINEIS, W. Einfluss von Wasser- und Stickstoffversorgung auf die Eiweissbildung verschiedener Gerstensorten. Bodenk. u. Pflanzenern. 9/10 (Neubauerfestschrift p. 395—457)- In drie art. van verschillende schr. worden uitvoerige pot- en veldproeven beschreven over de mogelijkheid vaneen verhooging van eiwitopbrengst van verschillende gerstsoorten door wisselende water- en stikstofverzorging. De resultaten stemmen in groote lijnen wel overeen. Onvoldoende waterverzorging in potten geeft lage opbr. met sterk opklimmende eiwitgehalten bij stijgende N-giften. Voldoende water geeft een grooter stikstofeffect op de opbrengst, maar begrijpelijkerwijze minder effect op het gehalte. Verdeeling van de N-gift over verschillende tijdstippen van den groei werkt afwisselend gunstig en ongunstig op de opbrengst, verhoogt echter het gehalte wel; soms krijgt men zoodoende de hoogste eiwitopbrengsten. Veldproeven geven steeds minder sprekende effecten dan potproeven. Inde uitgebreidste der drie publ. (Schmitt) wordt ook bijzondere aandacht aan de soorten gegeven. De van nature eiwitarme soorten blijven dit in vergelijking met de eiwitrijke onder de meest verschillende omstandigheden; goede of slechte waterverzorging beïnvloedt opbr. en eiwitgehalte bij de soorten ongelijk. Een kleine N-gift verlaagt inden regel het gehalte bij sterke opbr.stijging; grootere giften verhoogen dan weer het eiwitgehalte. Dit verband tusschen opbrengstverloop en gehalte verandering bij stikstoftrappen hangt samen met het eiwitkarakter van de gerstsoort. Er moet nog nagegaan worden, of de hooge N-gehalten bij late N-giften geheel als zuiver eiwit aanwezig zijn. T. v. I. 187a. ARENZ, B. Bcitrdge sur Frage der Wirkung von Salpeter- und Ammoniakstickstoff auf das Pflansenwachstum bei verschiedenen Ndhrstoffverhdltnissen. Bodenk. u. Pflanzenern. 8 (3/4), bis. 182, C3B). Het in dit artikel beschreven omvangrijk onderzoek over stikstofvoeding der planten in ammoniak- en nitraatvorm en de invloed van kali- en fosforzuurvoorziening hierop knoopt aan bij de onderzoekingen van Turtschin, die als eerste de beteekenis van, K en P bij verschillende stikstofvoorziening duidelijk heeft aangetoond. Na oriënteerende proeven met een groot aantal gewassen werden de definitieve proeven beschreven met gerst en lupine in zand- en watercultures uitgevoerd met opklimmende stikstofhoeveelheden in wisselende verhouding tot kali en fosfor. Behalve opbrengsten werd van de planten stikstofopname en van het perssap pH en potentieele reductiecapaciteit bepaald; dit laatste geschiedt door de hoeveelheid ferro te bepalen, die na 24 uur door het plantensap uiteen toegevoegde hoeveelheid ferrichloride is verkregen. Inde watercultuuroplossingen wordt pH en ammoniakuitscheiding bepaald. Zooals bekend, is bij toenemende concentratie ammoniak eerder giftig dan nitraat, waarbij de pH van het voedingsmedium van het meeste belang is; ammoniakvoeding wordt slechts binnen nauwe pH-grenzen verdragen. Lupine met een hoogere aciditeit in het celvochl kan meer ammoniak verdragen dan gerst en scheidt bij stikstofvoeding in beide vormen ook minder ammoniak uit dan gerst; merkwaardigerwijze verzuurt bij dit gewas de cultuuroplossing sterker bij nitraatdan bij ammoniakvoorziening. Zoowel ammoniakvergiftiging als ammoniakuitscheiding wordt tegengegaan door kali; in overeenstemming hiermede wordt een opbrengststijging en een verhoogde stikstofopname uiteen ammoniakstikstofbron door

923