is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1878, no 1, 1878 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER WETENSCHAPPELIJKEN LANDBOUW.

Om den grond, die gebrek aan kalk heeft, daarvan te voorzien kan men zich op sommige plaatsen, die echter in ons vaderland zeldzaam voorkomen, van zoogenaamden mergel bedienen. De mergel is een innig mengsel van klei of zand met kalk, waarom hij dan ook met de namen van kleimergel en zandmergel onderscheiden wordt. Deze stof ligt, waar zij voorkomt, doorgaans op geen groote diepte onder de oppervlakte en kan met betrekkelijk geringe kosten ter verbetering der landerijen aangewend worden. Dikwijls beval de ondergrond der aangeslijkte gronden eene veel kalk bevattende klei, die daardoor eenige overeenkomst met mergel bezit en met groot voordeel door zoogenaamd woelen naar boven gebragt en ter verbetering van de bouwkrnim aangewend worden kan, zooals dit in Groningerland met het beste gevolg geschiedt. (Wordt vervolgd.) E. C. E. v HET WONDKRUID ALS VOEDERGEWAS. Onder de voedergewassen, die inden laatsten tijd besproken zijn, heb ik met genoegen het wondkruid voor schrale en drooge gronden aanbevolen gezien. Dit is inderdaad een gewas, dat onmiskenbaar goede uitkomsten geven zal op voorwaarde, dat men het niet gaat verbouwen op goede gronden, maar alleen op zand- of balkgronden, waarop men niet met voordeel klaver of luzerne teelen kan. In die gevallen zal het wondkruid een even goed voeder kunnen leveren als de klaver op middelsoortige gronden, mits dat men het in ’t voorjaar zaaie onder een graangewas, of in Mei en tot half Julij zonder dekvrucht en dat men er niet aan rake voor het volgende jaar. Indien de plant dan tegen het einde van den bloeitijd gemaaid wordt, geeft zij eene snede, die 10 tot 12 en zelfs 20,000 Kilogr. oplevert. Men heeft aangeraden om deze plant als stoppelgewas te zaaien, even als knollen en inkarnaatklaver,’ maar dit is minder goed, omdat de planten alsdan voor den winter minder tijd hebben om te stoelen en zich zoo krachtig te ontwikkelen als dein het voorjaar en den voorzomer gezaaide. Dit kan in enkele gevallen nuttig zijn, in ’t algemeen is dit echter ’t geval niet. Ik ben meermalen inde gelegenheid geweest om de teelt van het wondkruid te zien inden omtrek van Berlijn en van Brandenburg, en heb verbaasd gestaan over den weelderigen groei van dezen peuldrager op gronden, die zoo weinig zamenhangend en zoo schraal waren en waar het in mededinging met lupinen gezaaid werd, die aldaar zoowel ter groene bemesting als tot voeder geteeld worden.

10