is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1878, no 3, 1878 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

giondyeebïtering.

Zooals wij reeds in het zoo even vermelde opstel hebben opgemerkt, moeten de middelen, die wij tot verbetering zullen aanwenden, geheel berekend zijn naar den aard van het kwaad en kunnen wij dan ook met geene behoorlijke kennis van zaken handelen, zoo wij niet eerst onderzocht hebben waar de schoen wringt, zoo wij niet vooraf ons verzekerd hebben, wat de aard van het kwaad is en of de oorzaak daarvan gezocht worden moet inden physischen toestand van den bodem, dan wel in zijn scheikundig samenstel; en verder of het gebrek gelegen is inden bovengrond, de zoogenoemde bouwvoor, dan wel in den ondergrond. anneer wij nu, dit een en ander voor oogen houdende, de zaken van naderbij bezien, dan zal het ons zeker eerst recht duidelijk worden, in koevele gevallen de grond van het kwaad gezocht worden moet inden samenloop van verschillende oorzaken, die in vereeniging met elkander den bodem maken tot wat hij is. Men zegt wel eens, de schuld ligt in den ondergrond, terwijl toch ook de aard van den bovengrond het zijne bijdraagt tot dat, wat aan de vruchtbaarheid van den bodemin den weg staat, evenzeer als ook wel het omgekeerde plaats heeft, terwijl wij ook reeds génoeg in het vorig artikel te kennen gaven, hoezeer de physische toestand van den bodem en zijn scheikundig samenstel zoozeer op elkander ingrijpen, dat daaruit als van zelven voortvloeit, dat in hohderde van gevallen beiden, in vereeniging met elkander, het, karakter van den bodem bepalen en oorzaak worden ook van dat, wat aan een behoorlijken plantengroei hinderlijk kan zijn. Dat dit alles een juist oordeelen over ’t geen ons te doen staat, in vele gevallen niet gemakkelijker maakt, spreekt als van zelf. Immers vloeit er zeer natuurlijk uit voort, dat bijna elk stuk grond, wat zijne verbetering betreft, zijne eigene behoeften heeft, en dat men, zelfs in die gevallen, waar de middelen, die men aanwenden moet, dezelfde zijn, in het éene geval krachtiger zal moeten doortasten, in het andere daarentegen minder ingrijpend zal kunnen handelen. En nog is dit niet alles, want wat men hier vooral niet mag voorbijzien, het is, dat wij bovendien, in duizende gevallen, niet dat kunnen doen, wat wij het best zouden achten, en in het geheel, waar het de verbetering van den grond betreft, van tal van zaken afhankelijk zijn, die eigenlijk ten eenemale buiten den grond gelegen zijn. Trouwens zal dat spoedig genoeg aan het licht treden, wanneer wijde hier behandelde vraag, welke middelen ons bij de verbetering van den grond ten dienste staan, thans eens, voor enkele gevallen, wat meer in bijzonderheden met elkander nagaan. Eerstens is het een zeer algemeen gebrek, op de meest

34