is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1878, no 3, 1878 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRONDVERBETERING.

maal een verdiepen van de bouwvoor niet die uitkomsten opleverde, die men er zich van voorstelde. Niettemin zou men zich zeer bedriegen, zoo men meende, dat wij, op grond van zulke uitkomsten, eene mindere waarde aan een diepe bouwvoor zonden hechten. Integendeel schatten wij die uitnemend hoog en beschouwen wij haar als een eerste vereischte ineen goeden grond en als een krachtige waarborg voor goede gewassen. Slechts dit wilden wij dan ook aantoonen, dat de zaak nog niet zoo heel gemakkelijk is en dat de zekerste weg, die hier in elk geval gevolgd worden kan, wel deze is, dat men, de bouwvoor willende verdiepen, dit niet te veel op éénmaal, maar liever allengs doe. Het spreekt overigens van zelf, dat het zeer aan te bevelen is, den boven te brengen ondergrond nog een tijd lang aan den invloed van licht en lucht, van vorst en dooi bloot te stellen, en daartoe hem reeds in het najaar boven te ploegen, om zoo ruw den winter over te blijven liggen. Wij hebben in enkele trekken nagegaan, hoeveel ons aan een diepe bouwvoor gelegen is. Zeker is het, dat Hoe dieper zij is, hoe minder afhankelijk wij zullen zijn van den ondergrond. Deze kan het ons anders lastig genoeg maken en beurtelings oorzaak zijn, dat ’s zomers, bij eenige droogte en warmte, al onze vruchten op den akker verbranden, terwijl zij, bij vochtig weder, dooi- overtollig nat, te gronde gaan. Bij een ondergrond, die van nature te hard is, kan het trouwens niet anders, daar alle uitersten van droogte of vocht hier op het gewas dadelijk den noodlottigsten invloed moeten uitoefenen, en dit te sterker, naarmate de bovenliggende bouwvoor eene mindere diepte heeft, want bij overtollig vocht kan dit niet genoegzaam in zulk een ondergrond doorzakken, terwijl daarentegen bij droogte het vocht uit de dieper liggende lagen niet kan omhoog stijgen. Zoo ergens, dan staat de landman dus ook hier aan velerlei wisselvalligheden bloot, ja moet het saizoen al zeer gunstig zijn, zal het gewas het er goed afbrengen. Wil men zulk een grond dus verbeteren, dan zit er niets anders op, dan om dien ondergrond, die hier, inde volle beteekenis van het woord, het struikelblok is, onschadelijk te maken, want zoo alleen grijpt men den wortel van het kwaad aan. Aan middelen daartoe ontbreekt het dan ook niet en slechts hierop komt het aan, dat men steeds de rechte kieze. Dat een losmaken van dien harden ondergrond hier tot het doel leiden kan, ligt voor de hand. Maar evenzeer is het duidelijk, dat die bewerking nu toch wel heel wat anders moet zijn, als die straks aangegeven als van toepassing voor die gevallen, waarin men eene verdieping van de bouwvoor op het oog heeft.

36