is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1878, no 5, 1878 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARMOEDE OP DEN STAL, ARMOEDE OVERAL.

aren klein en dikwerf nog slecht gevuld, en wordt ten slotte ook weinig graan en evenzoo weinig en kort stroo geoogst. Dat nu, wat voor den graanakker van toepassing is, ook voor andere veldvruchten geldt, dat het eigenlijk geldt op eiken grond en voor elk gewas, dat spreekt van zelf. Een schrale grond leidt dan ook tot een schrale oogst, en waar men weinig op den akker heeft gebracht, daar haalt men er ook weinig vanaf en worden schuren en stallen half gevuld, en zoo staat men ten slotte dan ook weder op hetzelfde punt, vanwaar wij zijn uitgegaan, staan wij namelijk weder voor niet behoorlijk gevulde schuren en stallen, staan wij weder voor die armoede op den stal, die wij hebben leeren kennen als de bron van al dat kwaad en de oorzaak der armoede overal. Het is dus hier eene herhaling van het oude, straks vertoonde spel, te weinig voorraad namelijk inde schuren en stallen, om genoegzaam vee behoorlijk en naar eisch te voeden, waaruit weder eerst gebrek aan mest, en later een armoedig gewas en eindelijk en ten slotte een halve oogst volgen zullen, een oogst die de schuren en bergplaatsen niet half vullen zal. Toch meene men, op grond van dit een en ander, vooral niet, dat de toestand dus eigenlijk dezelfde, dat zij onveranderd bleef, dat hij met andere woorden nog gelijk is, aan den toestand, zooals die eerst door ons werd geschetst. Voorzeker ziet men wel, dat wij hier eigenlijk een kringloop van feiten voor ons hebben, die allen in vastgestelde en geregelde orde elkander opvolgen, een kringloop die begint met een te kort op het noodige voeder, met andere woorden, met armoede op don stal, en weder evenzoo Ook met datzelfde feit eindigt. Toch is de toestand daarbij niet dezelfde gebleven, maar wel degelijk veranderd, en wij mogen er gerust bijvoegen achteruitgegaan. BÜ zulk eenen gang der zaken kan het namelijk niet anders, of bij eiken voleindigden kringloop zullen onze schuren en stallingen een minderen oogst hebben te bergen , zal bij elke herhaling de voorraad van voeder kleiner zijn, zoodat wij verplicht zijn, om telkens minder vee te houden of wel, eenvoudig slechter te voeren. Waar dit alles nu op uitloopen moet, laat zich dan ook gemakkelijk genoeg voorzien. Op zulk een bedrijf is dan ook wel zeker, inde volle beteekenis van het woord, de spreuk van toepassing, dat het daarmede den kreeftengang gaat. Daartoe leidt dan ook de armoede op den stal, die, zooals wij zagen, als natuurlijk gevolg met zich voert, de armoede overal, eene armoede, die met elk jaar grooter wordt en sterker zich doet gevoelen, zich doet gevoelen ook inde beurs van den landman. Wel is het dan ook voor hem een ernstig waarschuwend woord, die spreuk, armoede op den stal, armoede overal, een woord, dat hij waarlijk niet gering tellen

71