is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1878, no 11, 1878 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN WOORD OVER DE DUURZAAMHEID VAN HET HOUT.

houtvezels de bouwstof, waaruit de houtcilinder, dat centraal gedeelte van den boom, met zijne zijdelingsche vertakkingen is opgebouwd, zoodat daaruit naar het schijnt, zou moeten volgen, dat het hout, in het algemeen, van welk gewas het ook zij, een zeer duurzaam materiaal moet zijn en dat het ten aanzien van dit punt, weinig verschil maakt, of het afkomstig is van deze of wel van gene houtsoort. Toch leert de ondervinding het wel anders, zij leert namelijk, dat zoo wij aan de ééne met volle recht eene zeer groote duurzaamheid mogen toekennen, andere daarentegen betrekkelijk kort van duur zijn. Waarin ligt nu echter de oorzaak van dit verschil, ziedaar eene vraag, die zeker niet onbelangrijk heeten mag en waarover een enkel woord hier ter plaatse niet ongepast kan zijn. Wanneer men bij zijne redeneeringen den meest waarschijnlijken gang der dingen tot grondslag aanneemt en daarvan uitgaande, beweeren wil, dat lange levensduur van het gewas en duurzaamheid van zijn product (zaken, die wel van elkander te onderscheiden zijn) in zekeren zin hand aan hand moeten gaan, dan zou men, wat onze boomgewassen betreft, zeker in menig geval den hal misslaan. Wel zegt het spreekwoord, vroeg rijp, vroeg rot, en is het, wat onze vruchten aangaat, waar, dat onze in het najaar eerst laat rijpende vruchten, ook in het voorjaar het langst duren; maar op dien grond aan te nemen, dat bij onze hoornen een lange levensduur ook duurzaamheid van hout insluit, zou voorzeker in vele gevallen geen steek houden. Immers zoo de eik met zijn zeer lang leven en daarmede gepaard gaande langzamen groei voor die opvatting zou pleiten, zoo leert de beuk al dadelijk juist het tegendeel, die toch ook onder de langzamer groeiende en een langen levensduur bezittende boomgewassen (1) mag geteld worden, terwijl zijn hout niet te min zeer spoedig door bederf wordt aangetast en zeker weinig duurzaam is, waaraan dan ook zijne veel mindere waarde is toe te schrijven. Wellicht zal men meenen, dat indien de duur van het hout dus niet in verband staat met den levensduur van den boom, hij dan misschien zijn grond hebben kan inde bijzondere structuur van het hout, en de meerdere of mindere dichtheid (1) Ik weet, dat de beuk in dat opzicht niet gelijk gesteld kan worden met den eik. Toch zal een enkel voorbeeld aantoonen, hoe ook hij oud worden kan. Ik kan namelijk een boom in het Haagsche bosch aanwijzen, waarop voorkomen vanaf 1680 tot ongeveer 1720, allen van ééne en dezelfde hand, zoodat hij voor twee eeuwen daar reeds stond niet alleen, maar ook reeds die meerdere zwaarte heeft bezeten, die het insnijden van den naam toeliet. Toch zijn er vrij wat zwaardere boomen nog in dat bosch en moet deze boom, ofschoon nog tamelijk fleurig, waarschijnlijk door te dichten stand, dan ook slechts langzaam zijn gegroeid. Stellen wij nu zijn ouderdom maar op 240 jaar, dan is dat toch wel een lang leven.

164