is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1879, no 1, 1879

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over WETEKSCHAPPELIJKEN LANDBOUW.

nog tamelijk goed werk geleverd worden, terwijl het minste gebrek den voetploeg geheel onbruikbaar maakt. Bovendien, en dit verdient allezins de aandacht, ofschoon er zelden aan gedacht wordt, hebben de paarden voor den voetploeg bij diep ploegen veel meer te lijden, dan bij gelijke diepte voor den radploeg, omdat bij den eersten daardoor het aanspanpunt aanmerkelijk verlaagd wordt, terwijl dit bij den radploeg onveranderd blijft. Door die verlaging ontstaat er namelijk eene evenredig sterkere drukking op den schoft der paarden, welke overal en altijd toeneemt, naarmate bet verschil in hoogte tusscben het trekpunt (de borst van hot paard) en het aanspanpunt grooter wordt. Dat overigens de voetploeg moeielijker te behandelen zijn zou dan de radploeg, berust evenzeer op eene dwaling, daardoor ontstaan, dat men aan lieden, die aan den radploeg gewoon waren', een voetploeg in handen gaf, die ongetwijfeld anders behandeld worden moet. Zet men daarentegen van twee even geschikte knapen, die nimmer een ploeg inde handen gehad hebben, den , eenen met een voetploeg, den anderen met een radploeg aan het werk, dan is het eene algemeene ondervinding, dat de eerste daarmede spoediger goed werk levert dan de laatste. § 43. De grootste diepte, waartoe men met een gewonen goeden ploeg den grond omwenden kan, kan op 2 decim. gesteld worden. Om echter tot deze diepte goed werk te leveren is het beter twee ploegen te bezigen, waarvan de tweede inde door den eersten geopende voor volgt. De voorste ploeg, die doorgaans slechts met een paard behoeft bespannen te zijn, mag dan niet meer dan 7 of 8 centim. diep gaan, waarbij hij de bovenste laag inde geopende voor stort, terwijl de laatste eene laag van 10 tot 12 centim. dikte daar boven opwerpt. Deze handelwijze is vooral dan aan te bevelen, indien men klaver- of boonen stoppelland zonder herhaald ploegen voor winterkoren voorbereiden wil, omdat men daardoor volmaakt schoon land ploegt en in vochtige jaren minder van slakken te lijden heeft, die inde stoppels huizende zoo diep begraven worden, dat ze aan ’t nieuwe gewas geen kwaad doen kunnen. Wil men den grond meer dan 2 decim. diep om wenden, dan behoort men daartoe een opzettelijk ingerichten ploeg te bezigen, wiens rister zoo gebogen is, dat het den grond hoog optilt, alvorens dien om te wenden. (Zie de afbeeldingen en beschrijvingen in Nns. 2en 3 van den vorigen jaargang.)

9