is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1879, no 5, 1879

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRANDBAARHEID VAN GEMESTE TABAK.

Voorts zij men, bij het toepassen van kali-bemesting, gewaarschuwd tegen chloorkalium, zoomede tegen de overige Stassfurter zouten. Oordeelt men een kalibemesting bepaald noodig, zoo houde men zich in dat geval onvoorwaardelijk bij kalisalpeter, welks hoogere prijs tegenover de hooge tabaksprijzen zoo goed als niet in aanmerking komt. Is men een aanhanger van George Yille, zoo kieze men chloorvrije mengsels en wel dezulke, die uit salpeter, phosphaat en gips bestaan. Het beste is, dat men zich het niet aanwezig zijn ten minste, dat het maximum van 2 pCt. chloor niet wordt overschreden van chloor laat garandeeren. Ten slotte wil ik er nog op wijzen, dat de voor het verbouwen van tabak zeer gezochte schapenmest iets meer chloor bevat dan koemest, en dat men bij het koopen daarvan verstandig doet met in het oog te houden, dat het vee niet te veel zout mag hebben gebruikt. Het 'W'ageningsche proefstation houdt zich voor het oogenblik onledig met het nemen van proeven, hoe men trots het aanwezig zijn van chloor • toch goed brandbare tabak kan teelen. Over het resultaat dier proefnemingen hopen wij later nog het een en ander mede te deelen. ADOLE MA VER. DE CONTROLE VAN HANDELSZAAIZADEN. 1. Een woord-vooraf. Noodzakelijkheid van goed zaaizaad. Veel wordt er tegenwoordig gesproken en geschreven, niet altijd zonder overdrijving, over vervalsohing van allerlei handelswaren. Zeker is het, dat menigeen, hetzij verkooper uit de tweede hand, hetzij de eigenlijke verbruiker, zeer dikwijls de waren niet in zulke kwaliteit ontvangt, als waarop hij volgens den betaalden koopprijs recht zoude hebben en men behoeft daarbij niet eens aan vervalsching, bij den laatsten verkooper bekend en soms ook niet bekend, te denken. Des temeer schade lijdt de verbruiker der waren, wanneer die schade, door onvoldoende kwaliteit veroorzaakt, zich ook nog tot de toekomst uitstrekt. Tot deze waren behoort het zaaizaad van vele onzer kultuurgewassen, voor zooverre dit uit den handel verkregen wordt, zoob.v. van klaversoorten en grassen die, eenmaal op den akker uitgezaaid, soms eenige jaren achtereen niet door andere worden vervangen, maar waarvan het gewas meer dan een oogst moet opleveren. Het behoeft niet veel nadenken om in te zien, dat het geene onverschillige zaak is, of men bij het uitzaaien van b. v. 20 Kg. zaad van roode klaver op de hektare en het Kg. op 500,000 korrels gesteld, daarvan 10 a 11 millioen planten verkrijgt, wanneer het zaad zoo goed mogelijk is (92 pCt. kiemkracht) dan wel slechts 7 millioen en soms nog minder. In het laatste geval is aangenomen dat van de 100 korrels er slechts 60 ontkiemen; men zegt dan het zaad heeft slechts 60 p(Jt. kiem-

77