is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1879, no 8, 1879

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BETREKKELIJK BE OPVOEDING VAN VEULENS.

uit eene krib vreet, die zoo laag geplaatst is, dat het veulen daaruit mede vreten kan. Het spenen wordt daardoor veel gemakkelijker, maar mag niet plaats hebben, voordat men de overtuiging gekregen heeft, dat het zich zelf volkomen voeden kan. De moedermelk kan op geen andere wijze vervangen worden als door haver, om welke reden men dezen na het afzetten niet sparen mag, maar daarvan naast goed hooi zooveel geven moet, dat het dier niet alleen niet achteruit gaat, maar integendeel snel doorgroeit. Wordt dit niet genoegzaam in acht genomen, dan verliest het veulen aan deugd, en een dier, dat op jarigen leeftijd ƒ 180 beloofde waard te zullen zijn, blijft misschien geheel zonder waarde. Dit havervoeder versterkt men langzamerhand tot en 3 kilo’s, wanneer het veulen zes maanden oud is en houdt dit vol tot den jarigen ouderdom toe. Eene dergelijke opvoeding levert een voortbrengsel, dat steeds met voordeel te verkoopen is, omdat het veel vroeger bruikbaar wordt en inde twee volgende jaren goedkooper gevoederd worden kan. s Nadat men bij het begin van het tweede jaar het havervoeder langzamerhand verminderd heeft, laat men dit geheel weg. De gunstigste tijd daartoe is die van het groenvoeder. Men geeft dan slechts een goedkooper, de ingewanden vullend voeder, tot den tijd toe, dat het in gebruik genomen zal worden. Inde eerste plaats wel is waar goed hooi, vervolgens echter kaf, zomerstroo of wat het bedrijf verder afwerpt, indien ’t slechts gelukt het dier ineen goed gevoeden toestand te houden, zonder krachtvoeder te moeten geven, opdat de borst en de ribben zooveel mogelijk uitgezet worden. Op deze wijze gevoederd krijgt het veulen misschien evenveel haver als het thans in drie jaren krijgt, in het eerste jaar alleen, maar het kost in elk geval niet meer en wordt een dier van veel meer waarde. Tot het goed gedijen behoort echter eene vrije beweging, zoowel inden stal als inde open lucht; wie deze niet verschaffen kan, zie liever van de veulen-fokkerij geheel af. Bij velen bestaat de geheel ongegronde meening, dat haver voor jonge veulens nadeelig is, en dat ze daardoor later dom worden. Dit kan alleen dan plaats hebben, indien aanhoudend, ook in het tweede en derdejaar korenvoeder gegeven wordt, zonder dat er tegelijkertijd voor voldoende beweging wordt gezorgd. Wie naar deze beknopt opgegeven beginselen de opvoeding behandelt, zal zeer spoedig de voordeelen ervan erkennen en tot verdere navolging aanleiding geven, ’t geen het doel dezer regels is. (Sachs. landw. Zeitschnft.)

157