is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1880, no 4, 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENE OUDE DOCH NOG WEINIG BEPROEFDE BEKENDE.

genoeg voorkwam om er een uittreksel voor dit blad van te maken. De boom wetenschappelijk gedoopt: „Pinus Lambertiana Dougl.,” in bet Duitsch Kiesenkiefer of Zuckertanne, in het Engelsch Sugarpine, is inheemsch aan de westkust van Noord-Amerika tusschen het gebergte en de stille Zuidzee op 40° tot 45° noorderbreedte, zoomede aan de westkust van Opper-Californie. Dr. Henkel, hoogleeraar te Tubingen, rangschikte hem in zijne synopsis der coniferen onder de rubriek; „Strobus”, daar de 9 a 10 centimeter lange naalden, die zeer fijn gezaagd zijn, bij vijf gezeten zijn in eene afvallende schub. De kegels zijn tot 45 centimeters lang, rolrond en 10 centimeters dik, in het eerste jaar recht opstaande, bij rijpwording hangende, en bevatten (goed ontwikkeld) 300 zaden, die eivormig zijn en eene afmeting hebben van iVa bij 1 centimeter, terwijl de vleugel slechts B centimeters lengte heeft. De analyse dezer zaden, die eene amandelsmaak hebben, heeft geleerd dat zij zeer vele voedingstoffen bevatten, in hoofdzaak proteine en olie, zoodat het geene verwondering kan baren, dat de Indianen der streken waar de boom in dichte bossohen gezellig met andere soorten van zijn geslacht leeft, de eerstgenoemde als eene voortreffelijke spijze gebruiken, zoowel rauw als geroost of lot brood gebakken. De vruchtvorming begint bij het 25* a 30'levensjaar des booms en vermeerdert jaar op jaar sterk. Na een leven van 120 jaar begint de boom eene overvloedige hoeveelheid hars af te scheiden, welke ook al weder door de inboorlingen wordt verzameld, en de eigenschap heeft van na langen tijd aan de lucht te zijn blootgesteld geweest, een sterk suikergehalte te verkrijgen, dat naar ingesteld onderzoek tot 80 pCt. klimmen kan. Gretig wordt dan ook deze hars als surrogaat voor suiker door hen gebruikt. Doch niet slechts door de genietbare stoffen die de boom afwerpt is hij nuttig; ook het hout, dat sterk harshoudend en wit is, blijkt voortreffelijk voor bouwmateriaal en voor kleinere hout-industriën. De massa vaneen exemplaar is niet gering te achten, daar eene hoogte van 70 meters en eene doorsnede aan den voet van 6 meters, afmetingen die inde LJrwouden niet zeldzaam zijn, nog al iets beteekent. Deze komen die van de Wellingtonia gigantea, bij ons als reuzenspar bekend, zeer nabij. „Het is te verwonderen”, zegt de schrijver, „dat men tot nu toe niet meer aandacht gewijd heeft aan dezen boom, daar het toch al reeds lang gebleken is (want reeds voor een halve eeuw is hij in Europa ingevoerd) dat het Noord-Europeesche klimaat tot ongeveer 56° noorderbreedte voor zijnen groei geschikt is, en hij evenmin gevoelig voor de vorst is als onze gewone bosch-den, de Pinus Sylvestris. Proeven op kleine schaal genomen, hebben bewezen dat de geschiktste bodem voor zijnen groei is: een krachtige, zandige leembodem. Evenmin als andere Pinussoorten komt hij op zware klei voort en gaat aldaar ten laatste te niet. Per hectare zijn een kleine 500 tal benoodigd, wijl door de latere groote afmetingen de plantwijdte dient te zijn 9,14 meter bij 2,30 afstand inde rij. Om inde eerste jaren minder grond te doen verloren gaan, kan men de ruimten vullen met andere densoorten. Geen nood dat deze vooreerst te veel schaduw zullen krijgen, daar onze boom eerst op eene hoogte vaneen veertig meters voor goed kruin begint te vormen en minstens zoover kaarsregt opschiet. Een paar voorbeelden mogen aantoonen dat de groei ook in ons klimaat vrij sterk is. Zoo bereikte een exemplaar te Dropmore

52