is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1880, no 5, 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENE VOORDRACHT OVER ZAAIZAAD.

deel. Men zegt hier inde streek: Horstekruid of slofhakke of hoe het ontuig verder heeten moge, is niet weer weg te krijgen; maar ik vraag u : waarom zal het ook weg gaan ? Na den oogst ligt het zaad tusschen de stoppels, in uw zaaizaad zit gemiddeld 1 a IV2 kop per mud, zonder overdrijving, in het stroo, waarmede ge mest maakt, hangen de zaadjes, in het veegsel van den deel zit het soms bij hoopen en dat het krachtig zaad is kunt ge tegen Juni weer opmerken, als het hatelijk goed een voet hoog inde rogge opschiet. Neemt eens de proef: laat het stoppelland even omstrijken en geeft het zaad tijd tot ontkieming, dan is dat gedeelte door verder ploegen te vernietigen. Maakt uw zaaizaad met een stootzeef zuiver en laat het desnoods overeen linnen doek loopen , daar hecht zich het zaad met zijne weerhaakjes aan vast. Verwijdert het aanveegsel van den deel naar den composthoop, en bemest uw land voor deze gelegenheid alleen met korte mest, waarin bijna geen stroo zit of met goed doorbroeide paardenmest, waarin alle kiemkracht wel zal verloren gaan. Me dunkt door zoo te handelen zijn van de 100 kansen er 99 voor, dat ge uw doel bereikt. Onverschilligheid en traagheid is de speciaalmést voor horstekruid. Een belangrijk punt dat we nu willen behandelen is de kiemkracht van het zaaizaad. Vochtig binnengehaald, gebroeid graan verliest voor een groot gedeelte zijne kiemkracht, zoodat het van groot belang is, vooral bij aankoop daarop bedacht te zijn. „ Verschillende kieraproeven worden genomen met kiemplaten, wollenlappen, filtreerpapier, doch de eenvoudigste is, van het zaad, dat men beproeven wil, 25 of 100 korrels willekeurig te nemen en ineen bakje of bloempot met fijne tuinaarde te leggen, met een spaantje, waarop het soort en aantal der uitgezaaide korrels. Met een dag of 10 is men bijna zeker, dat alles wat kan opgaan boven den grond is. Bij alle andere proeven moet men oppassen met vochtig houden en niet te nat, warm en niet te heet, zooals men het soms wel eens ziet doen boven den kachel, alsof hitte juist zoo wenschelijk was. Met bloempotjes voor een raam op ’t zuiden ineen schoteltje met water is verder niets te zorgen en heeft men van schimmelen of verdrogen geen nood. Aan de proefstations wordt zeer nauwkeurig de kiemkracht der te onderzoeken zaden bepaald, wat voor de koopers van groot belang moet geacht worden. Wanneer er opgegeven wordt: Kiemkracht 90 pCt., dan beteekent dit, dat van de 100 korrels er 90 zullen opgaan. In ’t algemeen zal men dus wel doen, krachtig, goed gezuiverd zaaikoren te gebruiken. l)e vraag is nu, wat moet men doen: volgens den heer Gorten veredelen in eigen soort, d. w. z. het eigen verbouw zoo veredelen, dat men daarvan steeds het schoonste en beste tot zaaizaad bezigt of zaaikoren uit den vreemde invoeren ? Ik houd niet van algemeenheden. Veredelen in eigen soort vind ik uitstekend voor gewassen, die inde streek tehuis belmoren, rogge, boekweit, z. g. muggebeen-haver hier op ’t land; maar om hier tarwe, gerst, haver enz. met alle geweld te willen dwingen, puik zaaizaad te geven, is evenmin vol te honden als van zware ingevoerde Hollandscbe

74