is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1880, no 9, 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de mei kevbr-p laag.

neer zij door de kevers zijn kaalgevreten, zoo niet in hetzelfde, dan toch in het volgende jaar. Veel meer nadeel dan de kevers veroorzaken echter de larven, zoowel aan akker- en weideplanten als aan houtgewas. Daar de Engerlingen zich slechts traag voortbewegen en daardoor, ten minste als zij nagenoeg volwassen zijn, op de plaats waar zij zich bevinden, alle wortels niet dikker dan een vinger doorknagen, moeten de zoo geteisterde jonge boomen onvermijdelijk te gronde gaan. Yruchtboomen, Dennen en Eiken beneden de 8 jaar oud, loopen dan ook steeds gevaar, en hoe jonger de boomen zijn des temeer. De bezitters van kweekerijen, vooral op zandigen bodem, lijden dientengevolge steeds groote verliezen. In Noord-Duitschland, waar de bodem voor een gedeelte uit zeezand bestaat, zijn zooals de Heer K. zegt, menigmaal de boorakweekers de wanhoop nabij, doordien uitgestrekte vakken met jong hout op de gezegde wijze vernield worden. Vooral zijn het de houtsoorten, die inde eerste vier jaren van hun leven hoofdzakelijk dooreen penwortel gevoed worden, voornamelijk de Den, alsook de Mk, van welke laatste mede de eikels (evenals op aardappelakkers, de poters) door de larven opgevreten worden. Blijft een Den in het leven, dan schiet hij, bij verlies van den penwortel, toch nimmer in de hoogte en menigmaal blijven ook Eiken in dat geval hun leven lang ziekelijk. De schade door de Engerlingen, in vele dennenbosschen teweeg gebracht, onttrekt zich aan alle berekening. Op weiden en akkers zijn het inde eerste plaats de gras-, klaveren koolzaad-wortels, die door de Engerlingen opgezocht en afgevreten worden. Het komt meermalen voor, dat men op een Lucerne-veld de planten als hooi van het land kan harken, de wortels zijn dan even onder den grond afgeknaagd en daar zij dan niet meer kunnen uitloopen, vertoont de akker daarna een treurig beeld van verwoesting. Van de schade door de Engerlingen aan het gras der uiterwaarden teweeg gebracht, geeft de Heer Eitzema Bos, op bl. 78, Deel 11, van zijn voortreffelijk boek; „Landbouwdierkunde”, sprekende cijfers op. O. a. kon eene weide van 30 ha., die in gewone jaren 130 tot 140 gulden de hektare aan pacht opleverde, in 1858 niet meer dan 6 tot 10 gulden opbrengen. Wel is waar was het ongunstige weder toen mede de oorzaak van den slechten grasgroei. Maar dat de toen nog slechts eenjarige Engerlingen een groot gedeelte van de schade moest toegerekend worden, bleek duidelijk daaruit, dat groote plekken grasland later inden zomer geheel kaal werden, doordien de Engerlingen daar alles verwoestten en daarna de kraaien den grond doorwoelden om het begeerde voedsel, dat de Meikeverlarven hen aanbood, machtig te worden. De grond was daarbij zoo los geworden, dat men die plekken zonder ploegen met haver en een mengsel grasen klaverzaad kon bezaaien. Ook voor den Tuinbouw, zegt de Heer K. B. verder, zijnde Engerlingen zeer nadeelig. Zij knagen aan de wortels van allerlei gewassen; aan die van Aardbeziën en Salade schijnen zij de voorkeur te geven. De wortels van allerlei sierplanten worden eveneens door hen doorknaagd, zoodat men die planten zonder eonige moeite uit den grond kan trekken. Onder sommige oorzaken door den S. opgenoemd, die het kwaad

138