is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1881, no 5, 1881

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN BOTER- EN WATERSNOODPRAATJE (1).

Ik wil u ditmaal iets meedeelen, mijnheer de Eedacteur, over de navolging die de _ Deensche boterbereiding ook in Almelo gevonden heeft. Wel was hier een voorbeeld bekend waar de melk des zomers afgekoeld en dan ter rooming in onafgekoelde melktesten overgegoten werd, zoodat daar de nieuwe methode halverwege werd toe°*epast maar een inrichting waar de melk dadelijk na het melken tot op of onder II Celsius afgekoeld en vervolgens tot aan het afroomen toe op dien warmtegraad gehouden werd, ontbrak hier. e^ert„ een‘ge dagen nu is de landbouwer Schotvelt in navolging van Meijer Barts in Geesteren in ’t bezit van eenige ponden boter geheel en al bereid naar de Svvartzmethode. Niet weinig nieuwsgierig was ik om te proeven welk verschil de boter der nieuwe methode opleverde met die der oude bereiding. Op ’t oog was de roomboter zachter. De kaarsvetachtige stijfheid die wmterboter zoo dikwijls bezit, was inde roomboter volstrekt niet waartenemen. Proefde men de nieuwe en oude boter zorgvuldig en herhaaldelijk tegenover elkander, dan was 'teerste wat men als verschil opmerkte dat de roomboter zachter, fijner en zuiverder smaakte. De nasmaak der op de gewone wijze gemaakte boter was, vergeleken met diender loomboter, zuurachtig scherp en hard, „hooiaehtig” zou ik bijna willen zeggen om er een beeld aan te geven. Dezelfde melk van dezelfde koeien met hetzelfde voeder gevoed, levert derhalve, indien zij volgens de Deensche wijze behandeld wordt, fijner boter op. Dit is een werkelijk voordeel. Daarbij komen nu nog het zoet blijven der ondermelk en het mindere werk. ’t Karnen duurt juist eens zoo kort. In mijn oog zijn er dus gewichtige voordeelen aan verbonden. Wat ik naar mijn zin nog niet genoeg inde roomboter opmerkte was geur. Ik deelde dit den boer mede toen ik de boter gekeurd had. De man sprak mij niet _ tegen maar nam mij mee naar buiten en wees naar het uitgestrekte ijsveld heen dat zijn grasgrond bedekte, ten vierden male reeds in dezen winter. Toen wist ik genoeg. Welsprekender antwoord kon hij mij met geven. De man roeide, zijne weiden mestende, tegen den feilen stroom op. !n ’t vorig jaar bracht hij dertig voer mest naar den grond, een week later kon hij ze zien drijven op het golvende watervlak, dat zijn grasgrond uitspoelde. Dwaasheid noemt ge ’t wellicht, mijnheer de Eedacteur; inderdaad zoon mestenj is dwaasheid. En toch reik ik gaarne zoo’n dwaas de hand en roem hein als iemand die ’t bewijs levert dat hij levendig gevoelt hoezeer de tijdsomstandigheden de hekken van ons landbouwkomferVbovengonp! en' r°^eboer Saat onder> de grasboer Jaarlijks, m ’t voorjaar, is ’t gebruikelijk in ons gewest dat er nT sSChrijV'6r uit het T.enUche

74