is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1881, no 9, 1881

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEWERKING VAN DEN GROND DOOR STOOMKRACHT.

de figuren zien wij tevens dat de barsten, (bij aa ad), die bij sterke droogte in vele kleigronden ontstaan, ineen ondiep losgemaakten bodem (fig. 2) aan de plantenwortels veel meer nadeel veroorzaken dan in een diep bewerkten grond (fig. 3). [Wordt vervolgd). v- VERBETERING YAN DE YEBBOERDERIJ. (Vervolg van bladzij 128.) Verder hebben wij te letten op de hoedanigheid van het voeder. Van het inoogsten, bewaren en toebereiden van het veevoeder, hangt de deugd, de waarde van het voedsel meerendeels af. De deugd: de voederkracht van het hooi, hangt niet alleen af van krachtig gemest land en goede grassen en klaversoorten, maar ook van het inoogsten en bewaren. Om goed krachtig hooi te winnen, moet het gras gemaaid worden in het begin van den bloeitijd; staat het zoolang op wortel, dat het begint af te bloeien en zaad te zetten, dan wordt het te hard on te houtachtig, de beste kracht zet zich af in het zaad, en raakt onder het hooien en verder verwerken, gedeeltelijk verloren. Na het maaien moet het zoo spoedig mogelijk uit elkander en drooggemaakt worden, of bij donker weer in oppers gezet en deze een of tweemaal orazetten (zonnen). Zoodra het droog is moet men niet zuimen met het inden berg of in eenen klamp te rijden. Onder het optassen, kan men door ieder 500 kilo hooi 4 kilogram fijn zout strooien, het zout matigt het broeien, het hooi behoudt eene frissche, aangename geur, en wordt door het vee met graagte gegeten, het vee heeft behoefte aan zout, de eetlust wordt er door vermeerderd en de spijsvertering wordt er door bevorderd, veel te weinig wordt hier aan gedacht. Om goed stroo te hebben, moet men de rogge, haver ot garst, niet te rijp op stam laten worden; het stroo raag niet dood op wortel staan, de granen dood rijp op wortel laten worden, is zeer schadelijk voor de voedzaamheid van het stroo, en ook voor de deugd van het zaad. Man gel wortelen, koolrapen en koewortelen , moet men in ’t begin van November of althans voor het invallen van vorst optrekken; bij donker weer kan men ze een paar dagen op het land laten liggen en bij droog weer in eenen kuil bergen. Het is doelmatig den kuil 2 meter breed te nemen, heeft men geen last van grondwater ± 0 60 diep uitgraven. Langs de zijden van den kuil legt men rollen stroo, goed stijf omwonden en zoo de eene rol op de andere, tot + 3 decimeter boven den beganen grond; deze bovenste rollen moet men goed met aarde aanvullen. De kuil behoudt nu nog eene breedte van + 1.5 meter, men vult den kuil van het eene einde af, met een prismavormigen kop ± 0.80 boven de stroorol op niet uitloopende, zoodat per strekkende meter ± 20 Hl. opgetast wordt, daarna bedekt men den hoop met eene niet te dikke laag stroo, en daarover een dun laagje aarde.

137