is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1882, no 8, 1882

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING EN VOEDING DER SCHAPEN.

nacht opsluiten, bij zacht, droog weer eenige uren buiten. Geregeld voederen met hooi en stroo en minstens van November af tot Mei toevoederen; haver, maïs, boonen, erwten, lijn- en raapkoeken zijn zeer geschikte voedermiddelen; garst, rogge en boekweit zijn voor schapen niet aan te raden, zoowel met het oog op de gezondheid der dieren als op den prijs van die voedermiddelen. De kosten en moeite aan het hokken der schapen wordt ruimschoots beloond door den mest. Wordt de schaapskooi minstens driemaal per week goed gestrooid met zand en ruigten, of veel beter, zoowel op kleigrond als op zandgrond, met mosveenstrooisel, b. v. voor 25 schapen, op kleigrond droge slootaarde, op zandgrond bouwaarde, zand + 15 kruiwagens vol en ± 14 H.L. mosveenstrooisel per week, dan maakt men minstens 2 M3 mest per week van de 25 schapen of, inden zomer 25 week = D/j M3 X 25 = 37.8 M3 inden winter 27 week = 21/2 M3 X27 = 67.5 M3 of van 25 schapen ruim 100 stères mest. De kosten van toevoederen wordt veelzijdig vergoed. Het is niet voordeelig het groenland inden winter en vooral in ’t voorjaar kort af te weiden. Worden de schapen des nachts en een gedeelte van den dag in het hok met hooi en kracht voeder gevoed, dan halen ze minder van de weide af en brengen er betere mest op, zoodat het grasland er weinig of niet slechter door wordt, het vee blijft gezond en wordt sterk. Yleesch en vet, wat er in’t najaar op zit, blijft behouden, zoodat de drachtige schapen beste, sterke lammeren grootbrengen en de hamels (weers) en gelde ooien in ’t voorzomer spoedig vet zijn. De hoeveelheid toevoedsel moet natuurlijk naar omstandigheden geregeld worden; gemiddeld mag men aannemen dat gedurende den winter voor ieder schaap noodig is; 100 kilogram best hooi, 50 " stroo, 40 " haver, 15 » lijnkoek, 1| " fijn zout. Haver en koek of boonen, erwten, maïs met haksel of kaf vermengen en het zout er droog over strooien; haver moet men niet, boonen, erwten en maïs wel laten breken, verder niet nat maar gelijkmatig vochtig met kaf vermengen. Vroomshoop, 7 Juli ’B3. DE INKARNAATKLAVER (Trifolium incarnatum). DOOR F. J. VAN PBSCH. Onder de voedergewassen, die den veehouder op zandgronden van zeer veel dienst kunnen zijn, behoort ook de Inkarnaatklaver, die op verre na niet naar waarde gekend en verbouwd wordt. Tenminste inde Noordelijke provinciën is dit het geval; in Limburg en ook in sommige streken van Noordbrabant stelt men haar wel degelijk op hoogen prijs, niettegenstaande het niet te ontkennen bezwaar, dat

125