is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1883, no 6, 1883

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE LEIDING EN BEHANDELING ONZER WOÜDBOOMEN.

ook tusschen de verschillende gedeelten van den stam, zoomede tusschen de hooger en lager geplaatste takken enz., verhoudingen, die natuurlijk ook op den vorm en het voorkomen van den boom van invloed zijn en in het nauwste verband staan met de geheele groeiwijze. Men spreekt wel eens vaneen zeker evenwicht tusschen stam en takken en wortels en bladeren en acht dit zeer terecht eene wenschelijke zaak, maar waarin zou het zijnen grond vinden, zoo het niet was inde zooeven genoemde verhoudingen tusschen de verschillende onderdeelen van den boom, althans waar zijn groei niet door bijzondere uitwendige invloeden werd gewijzigd, belemmerd of zelfs wel verstoord. Op het aanwezig zijn dier proportien in het plantsoen heeft men dus wel degelijk toe te zien reeds bij de uitplanting, ja men heeft zelfs reeds bij de kweeking er op te letten, dat die verhoudingen verkregen worden, evenzeer als men later bij het opgroeiend geboomte ze zoolang mogelijk moet trachten te behouden. Dat dit nog gedurende geruimen tijd met goed gevolg geschieden kan, is zeker. Zoo zag ik 1.1. jaar nog bij een mijner vrienden eene partij beuken, vóór wellicht 15—18 jaar geplant, ware modelboomen , Waarop als zoodanig niets af te wijzen viel, nabij den grond betrekkelijk zwaar van stam, naar den top trapsgewijze dunner wordende, °vor hunne geheele lengte geregeld met takken bezet, naar onder natuurlijk met zwaardere en verder zich uitspreidende, naar boven allengs in zwaarte en uitgebreidheid afnemende, zoodat de boomen *n hun geheel den schoonsten pyramidaalvorm vertoonden. Nergens Werden hier dan ook de juiste proportien gemist, overal was hier bet gepaste evenwicht tusschen de verschillende onderdeelen van den boom bewaard, zoodat het inderdaad praehtboomen waren, zooals men ze zeker niet eiken dag te zien krijgt, maar zooals men ze toch meer algemeen krijgen kon, indien de behandeling en leiding van het gewas, eerst inde kweekerij, en later, na de uitplanting, meer daarop waren berekend. Trouwens is dat niet zoo moeilijk, als men zich wellicht voorstelt. Immers leidt de natuurlijke groei, althans waar geene uitwendige invloeden daarop wijzigend en verhorend ingrijpen, tot de proportien en vormen bij de bovengenoemde beuken opgemerkt. Wil men er zich trouwens van overtuigen, men ha dan slechts het oog op de fijne spar, bij welken die ontwikkelingggang bijzonder ligt is waar te nemen. Bij dezen vindt men tamelijk de takken in kransen geplaatst, in dier voegen, dat elke krans het begin eener nieuwe jaarseheut aanwijst, zoodat hun getal den ouderdom van den boom aangeeft. De takken staan eerst meer Waterpas, en hangen ouder geworden en verder zich uitspreidende aan hunne einden zelfs nederwaarts. De stam, van onderen zwaarder, neemt naar boven zeer regelmatig in dikte af, tot hij aan bet boveneind eindigt inde éénjarige scheut. Ook de uitbreiding der takken neemt bij eiken opvolgenden krans inde richting naar boven gelijkmatig af, zoodat de boom ten slotte eene prachtige pyradhde vormt, wier basis, waar hij alle takken behield, op den bodem {hst. Nu moge het waar zijn, dat die regelmatigheid inden groei onze breedgebladerde boomen niet zoo sterk terug wordt gevonden en gewis niet in die mate in het oog valt, toch is soortgelijke ont-6*

83