is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1883, no 6, 1883

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KDLTTTUR VAN GRASSEN YOOR ZAADWINNING.

9. Triticum repens L., de welbekende lastige Kweek, waarvan

hier wel niet meer gezegd zal behoeven te worden. De vrucht en het zaad, in fig. 27 afgebeeld komt, hoewel zeldzaam, toch nu en dan onder andere soorten van (goede) Grassen voor. Tot bevestiging van stuifzand kan de Kweek, even als het Witte Struisgras soms dienst doen, doch wanneer het eenmaal zich goed genesteld heeft niet op alle grondsoorten geschiedt dit dan is het schier onmogelijk het weder uitte roeien. Bekend is overigens de zeer groote voedzaamheid van het gras en vooral van de veel suikerbevattende wortels of uitloopers.

10. Panicdm (D rut aria) sanguinale L. en P. glabrum Gaud, {Bloedrood en Onbehaard Vinger gras). Lastig onkruid, vooral het eerste op zandgrond. 11. Panicum Crus galli L. {Egelgras), Vogelvoet. Nog meer algemeen dan beide voorgaande onkruidsoorten evenals, 12. Setaria vïridis , glauca en verticillata P. B (Groene, Gele en Kransvormende Naaldaar). 13. Loliüm temülentum L. {Dolik). De geheele plant, maar vooral het zaad, bezit vergiftige (bedwelmende) eigenschappen. 14. Loliüm linicola Sonder, {Vlasminnend Eaaigras). Onkruid in het Ylas. Tot nog toe werden, zegt Jenssen, n°. 10—14, gelukkig nog niet in prijscouranten onder de voedergrassen opgenomen. Maar men weet niet wat nog gebeuren kan! 15. Festuca (Vulpina) Myüeüs L. {Langgebaard Ztvenkgras) een Gras zonder waarde, dat soms volgens Jenssen als Goudhavergras (!) verkocht wordt. De langgenaalde zaden (beter: „vruchten”) treft men veelvuldig, hoewel zelden in groote hoeveelheid, tusschen het handelszaad van andere Grassen aan. 16. Molinia coerulea Mönch (Bentgras, Smeden). Ook dit Gras dat reeds in Mei hard wordt, ziet men dikwijls aangeprezen, vooral voor schapen- en paardenweiden op veengrond. Het levert de bekende pijpendoorstekers, terwijl het tevens, volgens van Hall, in Noordbrabant tot het bekleeden van bijenkorven en het vullen van matrassen veelvuldig gebruikt wordt. Maarde kuituur is het niet waard. 17. Phalaris arundinacea L. of Calamagrostis lanceolata Both (Eietgras). Is alleen op moerassigen grond goed, maar ’t wordt ook al spoedig hard. 18. Aira lutescens of Wibeliana Sond, een verwante van Aira (Deschampsia) caespitosa L. die als Boendergras hier en daar in ons vaderland bekend en op weilanden zeer ongaarne gezien wordt. De A. lutescens wordt o. a. bij Hamburg in en langs slooten veelvuldig aangetroffen en met warmte door sommige Duitsche zaadhandelaars aanbevolen, volgens Jenssen echter geheel ten onrechte.

93

Kg. 27.