is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1883, no 11, 1883

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOTERHAÏfDEL TE MIL.

raadhuis een menigte uiterst licht gebouwde karretjes; een doorloopend asje, de wielen 0.60—0.70 meter hoog, een ijzeren raampje of ovaalvormige ring met houten bodem om er de botermand op te zetten en een trekboompje, voltooiden het ijzeren karretje. De karretjes zijn van hunne kostbare lasten ontdaan. Yoor de breede deur van het raadhuis ziet men eenige boeren en een menigte boerinnetjes en boerendochters, of dienstmeisjes, allen netjes doch eenvoudig gekleed, opgeruimd en blijkbaar vergenoegd elkander groeten of reeds druk in gesprek, zonder evenwel stijf of plomp te zijn, en zonder luid gebabbel. Deze groep maakt op den onpartijdigen toeschouwer reeds een zeer gnnstigen indruk omtrent het karakter van de Noord-Brabantsche boerenstand. Onder de menigte ziet men hier en daar iemand een langwerpig vierkant stukje bordpapier, waarop in groote cijfers een nummer gedrukt is, te voorschijn halen. Doch laat ons het raadhuis mede binnengaan, de klok slaat acht, de „mijn” begint. Inde breede gang zien wij vier deuren, aan iedere zijde twee; de voorste deur rechts is geopend. In deze kamer op een koele steenen vloer staan de botermanden. Yoor 8 uur had ieder, die boter aan de mijn brengt, reeds een nummer getrokken. Links wordt een deur geopend; N°. 1 tot en met sof 6 worden binnen gelaten , daarna wordt de deur gesloten. Nu bevinden wij ons in het vertrek waar de boter bij afslag wordt verkocht. In dit vertrek staat op ongeveer de helft der lengte een aanrecht of smalle tafel, inden vorm vaneen winkelhaak, waarvan de langste zijde op eenigen afstand* parallel met den zijmuur; de kortste zijde dwars op beide einden. Een draaibaar hekwerk rechts, geeft toegang tot een bank langs den muur, waarop thans drie Heeren plaats hebben genomen, waarvan de vooraanzittende gewapend is met eene pen, de achterste figureert voor afslager, de middelste oefent de gerechtigheid uit; op het aanrecht voor dezen Heer staat een standaard met balans en weegschalen, daar naast eenige gewichten. Het hek aan de linkerzijde geeft toegang tot eenige banken, bestemd voor de Heeren boterkoopers; de belangstellenden hebben reeds plaats genomen. Bij de deur staat een bediende, deze neemt van de binnenkomenden de nummers terug en zorgt voor de orde. Nu moet men weten, dat de boter in stukken of kluiten, meestal beneden de 15 of 16 pond (halve kilogr.), netjes opgemaakt en met figuren beprikt, aan de mijn wordt gebracht. Op een daartoe gegeven wenk neemt N°. 1 haar boter, die in de mand ineen helder witten doek gewikkeld is, op en zet het op het aanrecht; eender Heeren boterkoopers steekt de boor in het stuk boter, draait dit wapen een halven slag om en haalt het terug, neemt met de punt vaneen mesje een weinig boter uit de boor, reikt daarna de boor aan de andere koopers; allen proeven. Niemand spreekt. De boerin neemt haar stuk boter, zet het met een handige beweging op de schaal en haalt de doek naar zich toe, de gewichten worden opgezet, de gerechtigheid spreekt, b. v. 14 pond 2 ons, de schrijver vult de hoeveelheid op een gedrukt biljet in, de boter wordt intusschen afgeslagen, eender koopers roept heel bedaard „mijn”, de afslager vervolgt, b. v. „72 cents voor N. N.”. De schrijver

162