is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1884, no 2, 1884

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIJDBESPARING, GELDBESPARING.

renten grooter wordt, en wel in dier voegen, dat het in 15 jaren verdubbelt, zoodat bijvoorbeeld een gewas van 60 jaren het dubbele kost van dat, waarop het op 45jarigen leeftijd te staan kwam en het 75jarige het dubbele van het 6 (jarige. Waar dan ook zulke cijfers spreken, is er wel geen verder bewijs noodig, om aan te toonen, dat bijzonder ook de houtteler den tijd waarlijk niet om niet ontvangt, maar integendeel hem zeer duur betalen moet, zoodat tijdbesparing dan ook inde volle beteekenis van het woord bij deze teelt ook geldbesparing mag worden genoemd. Dit nu echter zoo zijnde, doet de vraag zich voor, of eene besparing in dien zin mogelijk is en zoo ja, langs welken weg zij verkrijgbaar is. Die zoo gewichtige vraag hier in enkele trekken na te gaan, ziedaar het doel, dat ik mij hier voorstel. Tijdbesparing, inden zin, zooals hier bedoeld wordt, kan niet anders beteekenen, dan bekorting van den omloopstijd, dat is bekorting van den tijd, dien het geboomte voor zijne volle ontwikkeling en groei behoeft. Kortaf, in dien zin willende handelen, moet de houtteler niet alleen er zich op toeleggen, om een fraai en waardig boomgewas te verkrijgen, maar moet hij daarenboven die uitkomst trachten te verkrijgen inden kortst mogelijken tijd, wetende dat goed en spoed hier zooveel doenlijk moeten samengaan, en dat het niet rekening houden met één dezer factoren noodzakelijk leiden moet, of tot het verkrijgen vaneen minder waardig gewas, öf tot verlies van tijd en daarmede van geld. Met dit tweeledig doel nu voor oogen en van dit standpunt uitgaande , staan den houtteler bij zijn streven in die richting tweeërlei middelen ten dienste, die beiden evenzeer behartiging verdienen en hand aan hand moeten gaan, namelijk; I°. alles te doen, wat in ons bereik licht, om den groei te bevorderen, krachtiger te maken en te versterken; 2°. alles te voorkomen, wat hem kan verminderen of terugzetten en wat hem belemmeren of verzwakken kan. Dat overigens dit een en ander moet plaats hebben, op die wijze, als in overeenstemming is met eene oordeelkundige leiding van den boom, ligt inden aard der zaak. Wat het bevorderen vaneen krachtigen en weligen groei betreft, kan er reeds veel gedaan worden tijdens, ja ik mag zelfs wel zeggen, reeds vóór het planten. Wat voor een gebouw een goed fundament is, dat is voor den boom in zekeren zin eene deugdelijke grondbewerking. Natuurlijk moet de keuze der houtsoort zich regelen naar den aard van den grond, waarop men planten zal, maar dat is niet genoeg en hij, die niet voor eene voldoende en beredeneerde grondbewerking zorgt, hij kan niet op een weligen en krachtigen groei hopen, zelfs indien dit ook van de beste kwaliteit is, daar de eerste voorwaarde voor zulk eenen groei immers gelegen is in eene spoedige ontwikkeling en verspreiding der wortels ? Niet minder echter is er gelegen aan de keuze van het plantsoen, dat, naar zijne zwaarte gerekend, jeugdig en daarbij fleurig en krachtig van groei moet zijn, want een gewas, dat, gerekend naar zijne zwaarte, reeds oud is, mist bovengenoemde eigenschappen en daarmede den aanleg, die de beste waarborg is, ook voor een verderen krachtigen groei. Met zulk een gewas, aannemende, dat 2*

19