is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1884, no 7, 1884

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOELMATIGSTE WIJZE YAN ONTGINNING ONZER HEIDEVELDEN.

I°. door bebouwing (landbouw); 2°. door de houtteelt, en wel a. door loofhoutsoorten b. „ dennencultuur. Wat echter de eerstgenoemde wijze van ontginnen betreft, nam. die door den landbouw, zoo geeft daaromtrent de Schr. slechts eenige zeer algemeene beschouwingen, die hoe juist en waar ook, echter van te algemeene bekendheid zijn, om er hier langer bij stil te staan. Waar zij op neerkomen en wat zij bedoelen laat zich licht begrijpen. Geene andere strekking hebben zij namelijk, dan om aan te toonen, hoezeer het beproeven van ontginningen langs dien weg een gewaagd spel is, dat ten slotte op groot geldverlies uitloopt. De voorbeelden, die dit een en ander staven, zijn dan ook zeker talrijk genoeg, voorbeelden} die leeren, dat de resultaten langs dien weg verkregen, zelfs na jaren tijdsverloop, nog van dien aard zijn, dat de alzoo ontgonnen gronden nog altijd meer rentenemende, dan rentegevende zijn, zoodat de vraag opkomt, of het ook dan maar niet eenvoudig beter nog is, ze te laten liggen voor wat zij zijn, waarbij zij dan echter ook spoedig tot hun vroegeren woesten toestand terugkeeren. Zeer terecht zoekt de Schr. dan ook bij do ontginning der heidevelden, zijn heil niet bij den landbouw, maar tracht hij dat te vinden inde houtteelt, als eene cultuur, die hier beter tot het doel leiden zal. Intusschen is er velerlei houtteelt, en blijft het de vraag, welke bij de ontginning onzer heidegronden te verkiezen is. Terecht neemt de Schrijver aan, dat bij die ontginning aan onze loofhouten slechts eene meer beperkte plaats kan worden toegestaan, daar zij van aanleg meer kosten en op deze gronden minder zeker slagen. Wat mij betreft, zoo aarzel ik geen oogenblik, om mij ook met dat gevoelen te vereenigen, en dat niet alleen uiteen zuiver financieel oogpunt, maar ook om nog een andere reden en wel deze, dat een welig en krachtig groeiend bosch als zoodanig meer loof afwerpt en daardoor meer tot de verbetering van den grond bijdraagt, dan een meer ijlstaand en schraal groeiend gewas, dat als zoodanig weinig blad draagt, en dus voor de verbetering van den grond van weinig of geen beteekenis is. Kortaf, ik wacht voor die verbetering veel meer vaneen krachtig groeiend dennen- dan vaneen akkermaalsbosch, armoedig en kwijnend van groei, zooals men die inde heidestreken zoovele aantreft. Slechts aan zulke plaatsen dus, waar men inderdaad verwachten kan, dat ook andere houtsoorten nog dan de grove den behoorlijk groeien zullen en wel in dier voegen, dat ook de meerdere kosten, aan hunnen aanleg verbonden, genoegzaam worden vergoed, kunnen loofhoutbosschen en bijzonder eiken hakhoutbosschen in aanmerking komen. Altijd behoort men echter in het oog te houden, dat het aanleggen van zulke bosschen zonder diepere grondroering, louter knoeiwerk is, en dat ook die bewerking nog heel weinig baten zal, indien zij niet met oordeel geschiedt, dat is in dier voegen, dat het gewas het meest voordeel ontvangt van de aanwezige betere grondlaag. Terecht heeft de Schr. dan ook getracht zulk eene bewerking van den grond duidelijker voor te stellen, door

98