is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1884, no 9, 1884

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lETS OVER DE ROEST IN DE HALMGEWASSEN.

afdoende middelen ter bestrijding van het kwaad. Maar men kan zoo zegt de Heer B. K. in het genoemde opstel toch wel wat doen en wel: le Overal de Berberis-en Mahonia heesters uitroeien. In Amerika, alsmede, op initiatief van Prof. J. Külm te Halle a/S. in sommige Duitsche landen, is dit ook zelfs dooreen wet voorgeschreven. 2e Zooveel mogelijk de wilde Grassen langs de bouwlanden verwijderen en vooral ook de onkruidplanten uit de plantenfamilie der Ruwbladigen, zooals Kromhals (Lycopsis arvensis), Hardzaad (Lithospermum arvensé), Hondstong (Cynoglossum officinale), Smeerwortel {Symphytum officinale), Slangenkruid (EcMum vuig are) en andere. Kan men de graanakkers uit de onmiddellijke nabijheid der weiden verwijderd hebben, ook dat is raadzaam. 3e Men zaaie variëteiten van Kogge, Tarwe, Haver, Gerst, die uiteen vochtige landstreek of klimaat afkomstig zijn, b. v. uit Engeland. De ervaring toch heeft geleerd, dat deze veel minder aan Roest onderhevig zijn dan zulke uiteen droog klimaat, b. v. Australië, afkomstig. Wat het vervoederen van stroo en kaf aangaat, dat sterk met Roest is bezet, men late dit liefst geheel na om vergiftiging van het vee te voorkomen. Door het vooraf door koken of door stoomen te laten broeien kan men echter volgens onderzoekingen van Dr. Fleischmann de giftstof der Roest vernietigen. Ook in stalmest, die goed gebroeid heeft en gedeeltelijk vergaan is, zullen de wintersporen der Roest zeker wel te niet gaan, terwijl men bovendien bij zorgvuldig onderploegen van den mest ook geen gevaar loopt, dat deze sporen zich zullen verspreiden en tot ontwikkeling (op de Berberis) komen. KULTUUR YOOR WINNING YAN ZAAIZAAD. Ten bewijze dat de kuituur van Grassen en Mangelwortels voor zaadwinning goede winsten op kan leveren diene de volgende mededeeling van den Heer C. Jenssen, de bekende deskundige op het gebied van grassenkennis. Zij komt voor in n°. 12 der „Hannoversche Land- und Forstwirtsch. Zeitung.” Wij lezen daar: De Noord Sleeswijksche Yereeniging voor zadenkuituur te Apenrade verkreeg de volgende opbrengsten per 1-2 hektare. Kropaar 240 kgr. a96 cents het kgr. = f 230.5 (oogst van het eerste jaar); Beemdlangbloem 296 kgr. a 84 cents = f 248.5 (dito); Yoederdravik 910 kgr. a 36 cents f 327.5; Engelsch Raaigras 1000 kgr. a 36 cents = f 360; Lange Elvetham Mangelwortel 1136 kgr. a 72 cents, over twee jaren te verdoelen, per jaar f 818. In werkelijkheid waren 3 hektaren in het geheel bezaaid, die een bruto opbrengst van omstreeks f 855 gemiddeld van de hektare opleverden. Daar de kosten voor bemesting en verdere bewerking van den grond ten laste komen van het gewas waaronder het graszaad gezaaid werd (de „dekvrucht”), moet van de bruto-opbrengst slechts de kosten van inoogsten en zuiveren van het graszaad afgetrokken worden, terwijl verder bij de bruto-opbrengst nog gevoegd moet worden de waarde van het

140