is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1884, no 10, 1884

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TER AANKONDIGING.

Met veel genoegen maakten wij kennis met de eerste 6 nrs van het nieuwe Landbouwweekblad De Landman, onder redactie van de H.H A. F. Marlet, de bekende landbouwleeraar en Herman de Boer; uitgegeven door A. L Land te Heerenveen. Deze eerste 6 nrs. bevatten zeer lezenswaardige opstellen. De tijd moet leeren, of het debiet groot genoeg zal zijn, bij het reeds vrij groot aantal bestaande landbouwbladen, om de kosten der uitgave goed te maken. Bed. ALLERLEI. De navolgende mededeeling, uit der landwirth overgeuotnen omtrent de cultuur van hazelnootstruiken inden Calcottuin bij Beading, Berkshire, levert een nieuw bewijs voor bet groote voordeel dat van rationeel gedreven ooftteelt kan verkregen worden, grooter dan van menig andere cultuur. Op een Bngelsche acre grond (ruim 0.40 hectare) zijn in genoemden tuin 640 hazelnootstruiken aanwezig en deze zijn zoodanig geplant, dat twee rijen hiervan met eene rij vruohtboomen afwisseleu. leder van deze 640 struiken geeft gemiddeld in 7 jaren 6 oogsten, wel is waar nu eens minder en dan eens meer, doch de geringste opbrengst vaneen struik levert toch nog een waarde van 1 shilling (60 cents) van de geheele acre, dus 33 pd. st. of 384 gulden. Niet zelden echter verkrijgt men het tienvoud van een struik, dus voor een waarde van / 6, en dit voor de geheele acre berekend, geeft een bedrag van ƒ 3840. Deze noten worden in kisten van 100 pond op de markt gebracht, waar zij spoedig verkocht worden. Men heeft zich echter voortdurend op het verkrijgen van uitmuntende soorten toegelegd, zoodat zulke, die vroeger naar het vaste land van Europa overgebracht, thans daar nog voor zeer goed gelden, zooals b.v. de Erizzled i'ilbert, thans aan gene zijde van het Kanaal niet eens meer te vinden, maar door andere en veel betere verdrongen is. Door doelmatig snoeien kan men, volgens A. Busse, de vruchtbaarheid der hazelnootstrnik aanmerkelijk doen toenemen, wanneer men nl de lange gladde twijgen insnijdt en wel de sterke tot op de helft, de zwakke tot op een derde van hunne lengte. Daardoor worden de onderste oogen tot uitloopen gedwongen. De zijtakken mogen niet ingekort worden. (Zwohche Ct.) Weerkundige waarnemingen, gedaan aan de Rijkslandbouwschool te Wageningen, vau 15 Aug. tot 14 Sept. 1884, ’s morgens 8 uur.

159