is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1885, no 2, 1885 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KEACHTVOEDERMIDDELEN.

Dat de afkomst van het zaad een zeker gewicht inde schaal legt bewijzen de volgende analyses van lijnzaad van verschillende origine. Plaats van herkomst. Eiwitgehalte. Vetgehalte. Zwarte zee (1) 26.6 pCt. 80.8 pCt. Taganrog 23.9 « „ 25.2 . 37.2 » Riga (3) 22.2 » 31.2 » St. Petersburg (1). . . . . 20.2 « 35 3 » „ 23.6 « 34.9 » Archangel 20.1 • 35.1 » Alexandrie (1) 19.3 " 35.7 » Calcntta 17.5 •' 40.6 » Bombay 18.1 n 39.6 » , ' rl) 21.8 » 38.2 » « ' 19.1 » Men ziet, dat in het algemeen de Russische zaden meer eiwit, die uit zuidelijker streken meer vet bevatten. Gemiddeld vindt men uit bovenstaande analyses inde Russische zaden 23 pCt. eiwit en 34.1 pCt. vet, inde andere 19.2 pCt. eiwit en 38.5 pCt. vet. Natuurlijk kunnen deze cijfers bij gunstige of ongunstige gewassen, veroorzaakt door groote of ontijdige droogte of regen, zeer uiteenloopen, zooals men trouwens reeds inde tabel bemerken kan. Lijnkoeken zijn dat krachtvoeder, dat ten onzent verreweg het meest wordt gebruikt, getuige de talrijke monsters, die aan het proefstation onderzocht werden. Inde laatste vijf jaren toch werden hier geanalyseerd ongeveer 600 stuks, tegen ongeveer een gelijk getal van alle andere krachtvoedermiddelen samen. Het schijnt, dat ze een gunstigen invloed op de zuivelproducten uitoefenen, die haar door velen doet schatten, boven dein gehalte aan vet en eiwit zooveel rijkere voedermiddelen, die inden laatsten tijd inden handel gebracht worden, zooals o. a. aardnoot- en katoenzaadkoeken. Dezen gunstigen invloed kunnen ze evenwel zeer spoedig verliezen, als ze vermengd zijn met andere stoffen en reeds kleine hoeveelheden hiervan zijn voldoende om de zoozeer gewaardeerde eigenschappen te doen verdwijnen. Dit is trouwens aan vele landbouwers bekend, die met soms wellicht overdreven nauwkeurigheid er op letten, dat inde koeken die zij gebruiken, niet het minste vuil of onkruid te bemerken is en gaarne een paar procent vet of eiwit opoiferen om toch maar zuivere koeken te krijgen. In enkele gevallen hebben ze ook bepaald gelijk, daar b. v. mosterdzaad slechts in geringe hoeveelheid behoeft aanwezig te zijn, om aan de melk een eigenaardigen smaak te geven, die ook aan de boter bemerkbaar blijft. Hetzelfde is het geval met deder- of huttentutzaad, dat in zeer vele lijnkoeken voorkomt en er dikwijls opzettelijk in gedaan wordt om het dijen van de met water aangeroerde koek te bevorderen , een eigenschap die door de meeste landbouwers op hoogen prijs wordt gesteld. Aan de buitenste laag van het dederzaad is namelijk, evenals aan die van het lijnzaad in hooge mate eigen het vermogen, zijn volume door opneming van water aanzienlijk te vermeerderen. Zoo vond ik, dat: (1) Volgens analyses van Dr. A. Völcker.

18