is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1885, no 12, 1885 [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRACHTVOEDEB MIDDELEN.

heeft te lijden en dit laatste, zoodra men er achter komt, een zeker middel is om alle kwakzalverij te doen ophouden. Zoo werd hier geruimen tijd, zoowat tot 1880 toe, ïhorley’s veevoeder aan de markt gebracht, een middel, dat in Engeland, waar zoo veel „Geheimmittelschwindel” heerscht, nog steeds gebruikt wordt. Het bestaat uiteen mengsel van Ceratonia en maïs en werd verkocht voor GO ct. het K.G., terwijl het nog geen vierde der waarde vertegenwoordigde. Het moest volgens den fabrikant goed zijn om paarden een glanzig vel te geven, de melkopbrengst van koeien te vermeerderen en bijdragen tot de lichaamsontwikkeling van schapen en kalveren. Natuurlijk Schwindel. De samenstelling was: 11.3 pCt. eiwit, 4.4 pCt. vet, 2.8 pCt. asch, 12.6 pCt. water, 3.3 pCt, ruwvezel, 65 6 pCt. stikstofvrije extractstoffeu, dus de waarde ongeveer overeenkomende met riistmeel. Niet lang daarna kwam Mijers veevoeder opdagen, dat evenals het vorige overal goed voor was, zelfs voor gevogelte. Het bestond alleen uit Ceratonia, vermengd met het eene of andere umbelliferenzaad om er een geurtje aan te geven. Tout comme chez nous, zouden de kwakzalvers zeggen. Het bevatte: 9 2 pCt. eiwit, 3.7 pCt. vet, 9 pCt. asch, 12.2 pCt. water, 7 pCt. ruwvezel, 58.9 pCt. stikstofvrije extractstoifen, en werd verkocht voor de kleinigheid van f 30 per 50 K.G.; ongeveer 5 maal zooveel als het waardwas. Ongeveer terzelfder tijd poogde een Franschman Garreaud onder zijn naam een veevoeder aan den man te brengen, waarschijnlijk om slechte en gekiemde maïs kwijt te raken. Hij vermengde ze daartoe met eene goede dosis keukenzout en zand, voegde er voor den geur eenige umbelliferenzaden bij en kreeg op die manier een uitmuntend (? !) voedermiddel van de volgende samenstelling: 11.8 pCt. eiwit, 2.1 pCt. vet, 32.1 pCt. asch, 7.5 pCt. water, 46.5 pCt. stikstof'vrije stoffen, vooral het aschgehalte is merkwaardig. Een poosje bleven we nu van dergelijke produkten verschoond, evenwel niet lang, want inden loop van 1882 en het begin van 1883, werden ons verscheiden malen monsters ingestuurd van het vermaarde Lactina Bowick en van de Restorine van denzelfden fabrikant. Reeds in 1880 waren door ons monsters van die preparaten onderzocht, die door den direkteur der Rijkslandbouwschool van eene Londensche veetentoonstelling medegenomen waren en reeds toen was het gebleken, dat de prijs veel te hoog was. Toen onze landbouwers in het begin van 1882 er mede gelukkig zouden worden gemaakt, publiceerde prof. Mayer de samenstelling er van in het „Tijdschrift voor Landbouwkunde” en wees er tevens op, dat de koopers een gulden of acht per 100 K.G. te veel betaalden. Desalniettemin, vooral door de onvermoeide pogingen van den hoofdagent, kreeg de Lactina vasten voet in Nederland en kon weldra op eene menigte attesten wijzen, hem door verscheiden Nederlandsche landbouwers afgestaan. Volgens voorschrift dient de Lactina tot besparing van melk bij 12*

179