is toegevoegd aan uw favorieten.

Cultura; uitgave van de Vereeniging van Oudleerlingen der Rijkslandbouwschool, jrg 17, 1905, 1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Yoor het totstandkomen van eene eenigszins aanmerkelijke wijziging van de quantitatieve verhouding van de eigenschappen vaneen ras, wordt een zeker aantal jaren, een zeker aantal opvolgende generaties vereiseht. De variabiliteit van de raseigenschappen stelt ons wel in staat planten te vinden, welke aan onze eischen in bijzondere mate voldoen, maarde nakomelingen daarvan vertoonen dezelfde variabiliteit, als de planten waaruit de keuze werd gedaan en eene inde eliteplant quantitatief hoogopgevoerde eigenschap blijkt bij de nakomelingen gemiddeld relatief veel minder sterk ontwikkeld te zijn. Dezelfde variabiliteit der raseigenschappen dus die ons een middel aanbiedt, waardoor wijde eigenschappen van het ras onderling kunnen wijzigen, is de reden, waarom de veredeling steeds met kleine sprongen vooruitgaat. 20. Is door genoemde werkwijze een hoogveredeld ras , dus eene bepaalde gemiddelde onderlinge verhouding der raseigenschappen bij de planten verkregen , dan kan deze bij dit ras slechts in stand gehouden worden, wanneer men bij het hoogveredelde ras met de werkwijze voortdurend blijft voortgaan , die men tot het verkrijgen van de veredeling heeft toegepast. Doet men dit niet, dan zullen de raseigenschappen allengs zich weer zoodanig wijzigen, dat zij overeenkomen met die, welke het ras bij ’t begin der veredeling bezat, tenzij inden tusschentijd de uitwendige groeiomstandigheden , waaronder het gewas wordt verbouwd , mochten gewijzigd zijn. Het feit dat deze achteruitgang betrekkelijk spoedig intreedt bewijst, dat bij de opvolgende generaties meer en meer die planten overheerschend worden, welker eigenschappen van de het laatst gekozen eliteplanten sterk afwijken, terwijl daartegen meer directe nakomelingen dezer laatste, die tevens wel altijd op een eliteveld gegroeid zullen zijn, waarop de groeiomstandigheden voor elke plant bijzonder gunstig waren , geen voldoend tegenwicht meer vormen. 30. Eene gelijksoortige wijziging der eigenschappen van het hoog veredelde ras treedt in, indien reproductieorganen er van uitgezaaid worden in eene streek en op eenen grond, waarvan de uitwendige groeiomstandigheden met die verschillen, waar de veredeling is tot stand gekomen. Omdat inde evengenoemde streek de groeiomstandigheden gewoonlijk minder gunstige zullen zijn, is deze wijziging ook inden regel een achteruitgang van de waarde van het ras. Naar de geaardheid van de nieuwe groeiplaats is de achteruitgang sterker of zwakker. Het verschil van uitwendige groeiomstandigheden van twee verschillende groeiplaatsen kan zelfs zoo groot zijn, dat de wijziging der raseigenschappen zoo sterk is, dat de verbouw van het hoogveredelde ras in ’t geheel geen voordeel meer oplevert. Zoo zal het bijv. de Rimpaurogge op arme gronden moeten afleggen tegenover de rogge, waarvan bij de veredeling van het ras is uitgegaan. Terloops zij hier de opmerking gemaakt, dat hoogedele rassen die tevens groote oogsten opleveren het gemakkelijkste daar zullen kunnen worden gevormd, waar de grond zeer vruchtbaar en het klimaat voor den groei der planten bijzonder gunstig is, waar de gewassen dus over ’t algemeen groote oogsten opleveren. Er bestaat bij mij althans geen twijfel, dat men in verschillende streken volstrekt niet evengoed slagen zal in zijne pogingen om het ras te veredelen. Natuurlijk zal voor de verschillende rassen onzer cultuurgewasseh do groeiplaats, waar de rasveredeling het gemakkelijkst slaagt, niet dezelfde zijn.

15