is toegevoegd aan uw favorieten.

Cultura; uitgave van de Vereeniging van Oudleerlingen der Rijkslandbouwschool, jrg 17, 1905, 1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stormachtig weder met hooge temperatuur, die zoolang duren tot een maximum vau luchtdrukkiug uit het Z.-W. of W. komend, daaraan een einde maakt en stil, droog weder doch meestal ook betrokken lucht veroorzaakt. Verplaatst zich dit maximum naar het Voorden, dan ontstaat in het Zuiden een minimum en is V.-O. wind het gevolg, wat in den winter vorst beteekent en in het voorjaar koud, schraal weder. Overal, waar een minimum invloed heeft, is dus het cyclonale systeem overheerschend , een maximum of gebied van hooge luchtdrukking behoort tot het anticyclonale systeem.

Zachte winters en koude zomers hebben éénzelfde oorzaak, n.l. : het verplaatsen van de banen die de minima gewoonlijk volgen, de zoogenaamde stormbanen in Zuidelijke richting. Strenge winters en warme zomers worden door het anticyclonale systeem gekarakteriseerd. Inde afwisseling van beide, aan elkander tegenovergestelde, weêrstoestanden heeft men tot nog toe geen regelmaat kunnen ontdekken en is dus eene systematische voorspelling van het weder voor méér dan één dag feitelijk onmogelijk. Toch kan een eenmaal overheerschend geworden cyclonaal of anticyclonaal systeem weken en zelfs maanden lang bijna onveranderd voortduren. De reden waarom in het N.-W., ten Z.-O. van Groenland en ten N.-W. der Britsche eilanden, een bijna altijddurend minimum aanwezig moet zijn, is eenvoudig dat de Zuidwest tot Noordoostelijke Oceaanstrooming (Golfstroom) door haar hooge temperatuur en de geweldige koude der Groenlandsche hoogvlakte , die geheel met een ontzaglijke zware ijsmassa bedekt is, tezamen juist de gegevens leveren voor het ontstaan vaneen gebied van lage drukking; ten Z.-W. van het minimum een warm opstijgende luchtstroom, ten N.-W. een ijskoude neerdalende stroom. Deze gegevens vindt men op het Noordelijk halfrond nergens zóó sterk als daar. Het gevolg is dan ook dat geheel N.-W. Europa eene voor de breedte zéér abnormaal hooge wiutertemperatuur heeft. Deze abnormale toestand wordt zelfs tot aan de Noordkaap waargenomen. Hieruit blijkt dus dat men het klimaat vaneen land niet kan bespreken zonder ook de klimatische gesteldheid der aangrenzende landstreken te kennen. Alle weerstoestauden bij ons te lande waren minstens één of twee dagen vroeger op de Britsche eilanden heerschend ; alle weersveranderingen komen dm uit het Westen tot ons; de geheele luchtmassa draait natuurlijk met de aarde mede, doch de minima van luchtdrukking bewegen zich nog iets sneller, zoodat zij steeds uit het Westen tot ons komen. Het groote belang der kennis van het weder voor den landbouwer hier te bespreken is tamelijk overbodig. Het is te duidelijk. Wij zijn daarom dan ook van plan , nu en dan in dit tijdschrift belangrijke weêrstoestanden uit het verleden en tegenwoordige te behandelen. M. BUIJSMAN. Middelburg.

44