is toegevoegd aan uw favorieten.

Cultura; uitgave van de Vereeniging van Oudleerlingen der Rijkslandbouwschool, jrg 17, 1905, 1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is te zorgen , dat er overal inde bouwlaag een voldoende hoeveelheid , gemakkelijk opneembaar phosphaat aanwezig zij. Om daartoe te geraken gebrnike men van de phosphaathoudende kunstmeststoffen het liefst superphosphaat, en het zekerst komt men daarmede tot zijn doel, als men het op zijn minst twee jaren achtereen vóór den verbouw der erwten op den akker brengt in ruim voldoende mate. Men zorge daarbij zooveel mogelijk de meststof droog te gebruiken , terwijl men er op lette, deze zoo regelmatig mogelijk over de gansche bouwlaag te verspreiden. Thomasslakkenraeel komt minder in aanmerking, omdat het daarin aanwezige phosphorzuur nog langzamer oplost. Het aanvoeren van zeeslib , zooals inde provincie Groningen veel geschiedt , moet heilzaam werken. Het snelst bereikt men echter zijn doel door het superphosphaat, of ook wel slakkenmeel, in opgelosten toestand over den grond te brengen. Voor de cultuur in het groot moge dit wellicht bezwaarlijk zijn toe te passen, inden tuinbouw is het zeer wel uitvoerbaar. Ter verkrijging vaneen goede oplossing werpt men een hoeveelheid van deze kunstmeststof ineen ketel met water, b. v. ineen voederketel, en verwarmt den inbond. De verkregen oplossing lenge men later met koud water aan, om op deze wijze een grootere hoeveelheid te krijgen , waarmede men den akker besproeit. Wanneer moet dit laatste geschieden P Bij mijn proeven voegde ik eenmaal de oplossing toe kort nadat de erwten opgekomen waren. Ook deed ik het driemaal, nl. eens bij ’t opkomen , eens bij ’t begin der vruchtzetting en eens tusschen beide in. Bij beide manieren kreeg ik beste resultaten, zoowel bij potcultures als op den akker. Dat vroeg of laat zichten invloed op „de kook” heeft, is een meening, onder de landbouwers vrij algemeen heerschend en door de onderzoekingen van Swaving gestaafd. Toch komt het mij voor, dat liet wel niet mogelijk zal zijn, goedkokende erwten te telen op gronden, die groot gebrek aan opneembaar phosphorzuur hebben, ook dan wanneer men vroeg zicht en snel afdorscht. Bij mijn proeven liet ik steeds de erwten zoolang mogelijk zitten, altijd werden ze steenhard geoogst. Als ideaal stelde ik hierboven, te trachten gronden , welke steeds harde erwten voortbrengen , zoover te krijgen, dat zij een zachtkokend product leveren, zoo goed als dat vaneen jongen polder. Doch ook in laatstgenoemde komt het wel eens voor, dat de erwten er minder goed inde kook zijn. Gebrek aan de noodige voedingsstoffen kan daar er wel niet de oorzaak van zijn , maar men bedenke , dat zelfs bij een overvloed hiervan de plant toch nog hongeren kan. Is b.v. de bodem te koud, dan gaat de voedselopneming door de wortels zeer bezwaarlijk. Een te lage temperatuur kan b.v. veroorzaakt worden door te veel vocht inden grond en dat belemmert bovendien ook de geregelde ademhaling der wortels, waardoor slechts zwakke planten zullen ontstaan. Een gebrekkige voeding sluit vanzelf ook ineen te geringen toevoer van phosphorzuur naar de zaden. Hoe meer voedsel de erwteplant uiteen alzijdig voedzamen bodem opneemt, hoe meer phosphorzuur zij ook zal verorberen, en daar nu weelderige gewassen meer opnemen dan kwijnende, moet er wel verband bestaan tusschen het goed koken der erwten en den al of niet gunstigen stand van het gewas. Zoo zal ook het weder invloed uitoefenen op „de

93