is toegevoegd aan uw favorieten.

Cultura; uitgave van de Vereeniging van Oudleerlingen der Rijkslandbouwschool, jrg 17, 1905, 1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze van berekening, ofschoon de verschillen veel kleiner waren dan dit jaar. Een ander verschil, waarop we hier nog willen wijzen ,is , dat verleden jaar de tweede groep een rantsoen verkreeg , dat evenveel arbeidsvermogen bevatte in het verteerbaar gedeelte als het rantsoen van de eerste groep, terwijl nu de tweede groep bij de eerste achterstaat. In beide jaren was de hoeveelheid energie het geringst in het voedsel van de groenvoedergroep. Straks, bij het bespreken van de resultaten, komen we nog op deze kwestie terug ; we zullen dan nagaan of de te geringe hoeveelheid voeder zich heeft gewroken in eene daling in levendgewicht of in melkopbrengst dan wel in beide. Bij het begin der proef waren de voedermiddelen nog niet onderzocht; dit gebeurde inden loop van de maand December. Wanneer weden drogen zomer 1904 vergelijken met het regenachtige weer in 1903, dan hadden we niet verwacht, dat bij deze tweede proefneming aan de dieren minder verteerbaar voedsel zou worden gegeven inden vorm van de gelijk gebleven rantsoenen dan bij de eerste. We hadden juist het tegendeel verwacht en we wdllen ons hier de vraag stellen of het niet beter is, vooraf het voeder te analyseeren en hiermede rekening te houden bij het vaststellen der rantsoenen. In Denemarken , waar de proeven zich reeds uitstrekken over meer dan 3000 koeien en waar men in dit opzicht dus veel ervaring heeft, gaat men te voren het voeder niet onderzoeken, maar gedurende de proef worden op regelmatige tijden monsters genomen en deze dan bij het einde der proef gemengd en onderzocht. jVu dienen onze proeven om de practijk voor te lichten ; verder is het slechts uitzondering, dat de veehouders het beschikbare voedsel aan het proefstation laten onderzoeken en onze proef leert, dat men zich , wanneer men zijne voedering laat steunen op de cijfers, welke bv. door Kühn en Wolff zijn opgegeven, met den besten wil kan vergissen, vooral bij waterrijk ruwvoer en ook bij hooi. Wanneer we daarom ook rantsoenen vaststellen zooals deze inde practijk gebruikt worden, dan kunnen we toch niet ontkennen, dat een dergelijk resultaat te veel lijdt aan het bezwaar , dat het in boofdzaak slechts waarde heeft voor het gegevene voeder in het betreffende proefjaar. Indien er inde practijk slechts drie wijzen van voederen voorkwamen, n.1.: 1. Voedering met uitsluitend krachtvoeder; 2. Voedering met half krachtvoeder , half groen voeder ; 3. Voedering met enkel groenvoeder, en dat er voor elk dezer drie voeder wij zen slechts één rantsoen gebruikt werd en gebruikt zou kunnen worden, dan zouden we bij onze proef slechts naar deze rantsoenen grijpen; de samenstelling van het voeder hadden we niet te weten en het resultaat had eene zeer algemeene beteekenis. Maarde wijze, waarop gevoerd wordt, is zoo uiterst verschillend en het zal toch niet gaan om proeven in te stellen naar de juistheid van elk voorkomend rantsoen. Bovendien zou het dan nog niet mogelijk zijn voor den veehouder om, zonder analyse van zijn beschikbaar voeder, uit de gehouden proefnemingen juist die aan te wijzen, welke overeenkomt met zijne omstandigheden. Dat gaat niet. We nemen proeven om datgene tot oplossing te brengen, wat we nog niet weten. Maar wanneer we dan twee voederwijzen tegenover elkaar stellen, waarvan de ééne a priori als onvoldoende moet aangemerkt worden , hebben we dan wel veel bereikt, wanneer juist deze groep het moet afleggen ? We mengen op die manier het bekende met het onbekende door elkaar en het

552