is toegevoegd aan uw favorieten.

Cultura; uitgave van de Vereeniging van Oudleerlingen der Rijkslandbouwschool, jrg 17, 1905, 1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook hier eene daling ten opzichte van de voorperiode ; bij koe no. 9 is deze daling zeer gering, terwijl ze bij no. 11 in iets sterkere mate optreedt dan bij de nos. 1,2 en 8. Sterker dan bij de controlegroep is de daling in botervet-opbrengst (in de proefperiode ten opzichte van de voorperiode) bij de groenvoedergroep. Het verloop van de lijnen is zeer regelmatig , zoodat ze geen aanleiding geven tot opmerkingen. Bij het nagaan van de lijnen op plaat YII zien we, dat do lage melkopbrengst de derde groep het tegen de beide overige doet afleggen; door het lage vetgehalte wordt de eerste groep gedrukt en wel in die mate, dat de lijn voor de controlegroep, al is het dan ook slechts weinig , bovenaan loopt. De hoogere melkopbrengst bij de krachtvoedergroep was dus niet in staat den invloed van het hoogere vetgehalte bij de controlegroep te over winnen. Evenals verleden jaar heeft groep II dus de grootste en groep 111 de kleinste hoeveelheid botervet geproduceerd. Gedurende de geheele proefperiode, d.i. dus 45 dagen, hoeft groep I aan botervet geproduceerd 99.45 KG., groep II 101.03 KG. en groep 111 94.95 KG. Volgens do voorperiode zouden deze groepen resp. hebben moeten voortgebracht 116.78 KG., 114.08 KG. en 118.58 KG., zoodat groep I 17.33 KG., groep II 13.05 KG. en groep 111 23.63 KG. in botervetopbrengst is achteruitgegaan. Bij groep II is deze achteruitgang dus het geringst, terwijl hij hot grootst is bij de derde groep. Stelt men den achteruitgang in botervetopbrengst bij groep II = 100, dan wordt die bij groep I: 133 en bij groep III: 181. Eigenaardig is het dat verleden jaar de achteruitgang bij groep I precies in dezelfde verhouding tot die bij groep II stond als nu ; ook toen was bij de krachtvoedergroep de achteruitgang in botervetopbrengst 1.33 maal zoo groot als bij groep 11. De achteruitgang is bij de groenvoedergroep in beide jaren het sterkst geweest, maar bij de laatste proefneming was dit in nog sterkere mate het geval dan het vorige jaar. We dienen hierbij nog de opmerking te maken , dat men bij het nagaan van plaat VII ziet, dat de krachtvoedergroep inde 10 laatste dagen van de voorperiode eene geringere botervetopbrengst had dan de beide andere groepen ; we vonden dit tijdperk echter te kort, om hiernaar het gemiddelde van de voorperiode vast te stellen. d. Levendgewicht. Ter bepaling van de toe- of afname in levendgewicht hebben wede laatste weging vóór de proefperiode , d.i. op 14 Dec., vergeleken met de laatste weging in genoemd tijdsverloop. Deze laatste weging viel op 1 Februari. Men behoeft slechts vluchtig een blik te slaan inde verzamelde cijfers omtrent het levendgewicht (tabel 9) om te begrijpen, dat eene eenvoudige vergelijking der twee weegcijfers tot een verkeerd resultaat leidt. Daarom zijn hot onmiddellijk er aan voorafgaande en het er direct op volgende weegcijfer mede in aanmerking genomen , terwijl tevens al deze getallen werden gecorrigeerd in verband met de hoeveelheid opgenomen water op denzelfden morgen en den avond te voren. Bij de vorige proef waren alle koeien van de eerste groep in lichaamsgewicht toegenomen ; bij groep II was gedeeltelijk toename, gedeeltelijk

558