is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1886, no 5, 1886

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAANDBLAD

VOOR DEN NEDERLANDSCHEN LANDBOUWER, ONDER REDACTIE VAK F. J. VAN PESCH, R. W. BOER en H. BOSKER. (Adres der Redactie te Wageningen.) 1886. N°. 5. GEMEENSCHAPPELIJK BOTERMAKEN. (Vervolg van blz. 52.) Opmerking verdient vervolgens hetgeen op blz, 65 wordt medegedeeld. Daar lezen wij: *ln het noordelijk gedeelte van Groningen geeft men de voorkeur aan het houden van vet vee hoven dat van melkvee, niet zoozeer omdat het eerste heter rendeert, als wel, omdat het gehalte van den mest beter zal zijn. In afwachting van cijfers * die wellicht door anderen in betrekking tot het eerstgenoemde punt zullen worden medegedeeld, volgt hier alleen eene becijfering van de opbrengst eener melkkoe. Eene goede koe, half Maart gekalfd, geeft tot Nieuwjaar d. a. v. bij goede weide en goed voedsel 3200 liter melk. De liter berekend op 4| cent geeft / 152. Daarvan gaan af: f 76 voor 190 staldagen en ƒ 10 voor kosten van melken, zamen ƒ 86. Blijft als opbrengst der weide 152—86 of 66 gulden. Rekent men de mest en het kalf voor risico van instandhouding van het beslag, dan mag men aanneraen, dat eene melkkoe (inde hier bedoelde streek) meer opbrengt dan eene vette. Wanneer echter, zooals veelvuldig voorkomt, niet meer dan B—lo melkkoeien worden gehouden, blijft de vraag, wat is voordeeliger, fabriekmatig laten bereiden of zelf verwerken? Tot bewijs van het voordeel der fabriekmatige bereiding kan dienen, dat in Dec., Jan. en Febr. (’B5) de eerste Jovialiteit boter te Groningen f 38 40 de 40 Jcgr. hostie, terwijl de Oldambtster zuivelbereiding fabriek in dien zelfden tijd f ontving (1). Dit in het oog vallende verschil ten nadeele van dein eigen boerderij bereide boter moet worden toegeschreven .* 1) aan te kleine hoeveelheid melk en 2) aan het karnen der volle en van te oude melk inde boerderijen; 3) aan ongelijkmatig zoutgehalte en kleur; 4) aan ’t niet volkomen verwijdden der karnemelk; 5) aan slechte bewaarplaatsen van melk en’t niet aanwezig zijn van ijs; 6) aan gebrekkige hulpmiddelen enz. Bovendien is het op boerderijen met een tiental melkkoeien zoo goed als onmogelijk kaas te maken, althans gedurende een groot deel van het jaar, en er wordt dan niet uit de melk getrokken, wat er uitte trekken valt. Want tegen de kaas, die gemiddeld l opbrengt van den prijs der boter, weegt de grootere hoeveelheid karnemelk niet op, die men verkrijgt bij ’t karnen der volle melk, ja van de 100 liter melk heeft de boerenkarnemelk weinig meer waarde dan de 20 liter roomkarnemelk en de 60 liter wei, die men bij de fabriekmatige bereiding verkrijgt. " Fabrieken voor zuivelbereiding in Groningen hebben” – zoo meent de verslaggever, die hier aan het woord is «zeer zeker eene toekomst wanneer op niet al te groeten afstand eene voldoende hoeveelheid melk, 1500 liter gemiddeld iederen (1) Wij cursiveercn. Red. Maandblad.