is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1887, no 2, 1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NATtTUELIJKE WEIDEN.

opbrengst van onze weilanden met meer dan 2 millioen centenaars aan hooi vermeerderen, en daardoor ongeveer 100 000 stuk groot vee meer kunnen voeden. De verbetering zou, onzes inziens, ineen niet te ver verwijderde toekomst kunnen plaats vinden, mits men onvoorwaardelijk brak met het oude vooroordeel dat nog zoo algemeen is, waarbij men de weilanden als onuitputtelijke bronnen beschouwt van veevoeder, die maar altijd zonder vergoeding mest aan den bouwgrond kunnen verschaffen. De dag waarop de landbouwers zullen inzien, dat het weiland niet het voorrecht bezit, door hen er aan toegekend, zullen zij hun dwaling inzien en meer voordeelig en redelijker handelen. Volgens de meening van vele landbouwers dient het weiland dus om mest aan de bouwgronden te verschaffen zonder zelf iets te ontvangen. Zulk eene beschouwing sluit elke verbetering uit. Het is een feit, dat weilanden even goed als bouwgronden een verlies lijden geëvenredigd aan de opbrengst, die zij geven, onverschillig of zij voor den hooioogst bestemd zijn of tot weide voor jong vee of melkkoeien. De uitputting moge minder zijn als er koeien op weiden die gemest worden, maar ’t is toch oen dwaling als men die geheel gelijk 0 stelt. Want waaruit put het jonge vee de bestanddeelen die voor zijn organisme noodig zijn en waardoor zij groeien? Waar zullen de koeien de noodige stoffen vinden voor de melkafscheiding? Het voeder moet zonder eenigen twijfel deze stoffen leveren en zij worden langzamerhand beroofd van al de stoffen die het dierlijk organismus noodig heeft voor zijn ontwikkeling en voor de melkafscheiding. De uitwerpselen, die gedurende het weiden op het weiland vallen, kunnen het verlies niet dekken: dit kan alleen geschieden door goed gekozen mestsoorten die er op aangebracht moeten worden. Maarde uitputting vindt op groote schaal plaats, wanneer het gras, in plaats van op de plek zelf gebruikt te worden, tot hooi gemaakt wordt dat men verkoopt of op de boerderij gebruikt. Om een denkbeeld te geven van het verlies, dat in dat geval het weiland lijdt, moeten wij aannemen, dat de jaarlijksche opbrengst die wij zoo even op 4424 kgr. per hectare berekenden, geheel als hooi wordt gebruikt en nu vragen wij wat zulk een opbrengst aan den grond ontneemt? Lawes en Gilbert die in Engeland zeer belangrijke onderzoekingen op weilanden gedurende een reeks van jaren gedaan hebben, maar die ongelukkig nog zoo weinig bekend zijn, hebben ons ingelicht omtrent het aschgehalte van het hooi en de talrijke analyses van hooi in verschillende jaren geoogst, hebben aangetoond, dat gemiddeld 6,37 pCt. minerale bestanddeelen er in aanwezig zijn. Zij hebben ons ook aangetoond, dat op een gewicht van 100 kgr. van deze asch 26,17 kgr. potasch en 5 kgr. phosphorzuur aanwezig zijn. Als men deze gegevens toopast op de gemiddelde opbrengst van 4424 kgr., vindt men daarin niet minder dan 282 kgr. asch waarvan 74 kgr. potasch en 14 kgr. phosphorzuur, en dezelfde scheikundigen hehben aangetoond dat het hooi gemiddeld 1,44 pCt. stikstof bevat, dus 63 kgr. op deze hoeveelheid aan den grond ontneemt. Deze cijfers geven een denkbeeld van het verlies aan belangrijke bestanddeelen, dat de grond van onze weiden jaarlijks

28