is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1887, no 9, 1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INKUILEN VAN GROENVOEDER. „ZURE” EN „ZOETE” ENSILAGE.

lang inkuilen ineen silo, een verlies van 3 pCt., ineen andere silo na 3 maanden 9 pOt. ineen derde na 7 maanden 36 pCt. Volgens de zorgvuldig ten uitvoer gebrachte proeven van Prof. Kirchner, zijn zure Mais en mangelwortels niet alleen scheikundig ongeveer gelijk samengesteld maar ook de voedzaamheid komt overeen. 100 kgr. mangelwortels zouden dus gelijk staan met 100 kgr. ingekuilde Maïs, of, bij 16 pOt. verlies 118.5 kgr. groene Mais. Prof. Kühn raadt dan ook met aandrang aan om zooveel Mais te verbouwen, dat men niet slechts voor twee maanden groenvoeder heeft, maar ook gedurende 6 weken in het volgende voorjaar ingekuilde Mais, omdat men op deze wijze het gevaar ontkomt, om door de eene of andere mislukking inden verbouw van een voedergewas, met de voedering in nood te geraken. Als résumé van het gezegde volgt dus, dat op zwaren stijven grond de Maisbouw niet raadzaam is, omdat de opbrengsten hier niet voldoende zijn. Op alle andere grondsoorten, van de vruchtbare leem- tot de gewone zandgronden, behoort men de kuituur te beproeven en lukt de proef, dan moet men voor twee maanden Mais als groenvoeder en als reservevoeder verbouwen. Overal waar behakte gewassen niet meer willen lukken kan de Maisbouw en ensilage als een vertrouwbaren grondslag der wintervoedering dienen. De volgende beschrijving van de reeds meermalen genoemde „Baltersbacherhof” kan als een bewijs voor de vertrouwbaarheid der voedering met ingezuurde Mais dienen. Yan do 145 H.A. waaruit het goed bestaat, zijn 95 H.A. bouwland met steenigen, leemachtigen zandgrond, langs de helling van bergen gelegen; 50 H.A. zijn weiden, waarvan echter jaarlijks 17.5 H.A. verpacht worden. Nog zijn 20 H.A. minder gunstig gelegen landerijen beplant met fijne dennen, akkermaal, twijgwilgen. Yroeger verbouwde men als voedergewas tot wintervoedering mangelwortels, waarbij een aanzienlijke hoeveelheid bierdraf gekocht werd. De eersten gaven inden regel geringe opbrengsten en het laatste kostte veel geld. In 1871 werd met het verbouwen van voedermais begonnen. Inden beginne slechts voor groenvoeder, dat men gedeeltelijk door drogen trachtte te conserveeren. In 1880 werden de eerste 2 silo’s van 14 M. lengte, 5 M. hoogte en 4 M. breedte aangelegd; thans zijn er 5 aanwezig. De 95 H.A. land zijn verdeeld als volgt: 15 H.A. Mais; 25 H.A. Aardappels; 18.75 H.A. zomergewassen; 17.5 H.A. Roode Klaver en Lucerne (van ieder evenveel) en 18.75 H.A. wintergewassen. Door deze indeeling was het niet alleen mogelijk een juist ineensluitend vruchtwisselstelsel in praktijk te brengen, maar ook een groote hoeveelheid voedermiddelen te verkrijgen, hetgeen weder tot vermeerdering der mestproduktie leidde. De Mais wordt bijna altijd op denzelfden akker verbouwd en dus buiten de vruchtopvolging. Deze zes gewassen gaven inde jaren 1879—85 een zuivere winst excl. grondrente, van de H.A.: Wintergranen f 23; Zomergerst ƒ 30.76; Roode Klaver f 115.06; Lucerne ƒ62.35; Aardappels f 118.22; Mais f 149.37.

138