is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1889, no 4, 1889

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOE VERKRIJGT MEN GBOOTEK OPBRENGSTEN VAN AARDAPPELS?

reeds bestond, daaromtrent ontbreken vertrouwbare berichten, in ieder geval niet in zulk eene mate dat de aandacht er op viel, anders zouden er wél berichten van zijn. De Aardappel kan voort’ geplant worden door zaad en door knollen. Daar de eerste wijze van voortplanting groote moeilijkheden meebrengt, werd en wordt uitsluitend bij de kuituur de vermeerdering door het poten der aardappels in het werk gesteld. De laatste zijn als stengeldeelen de organen waarmede de plant overwintert, dus verkrijgt men bij het op nieuw poten eigenlijk geen nieuwe planten liiaar kweekt dezelfde planten zonder vernieuwing verder. Men kan aannemen, dat deze planten inden ouderdom afnemen en zwakker worden, zoodat zij geen weerstand aan ziekte meer kunnen bieden, waaruit de aanzienlijke verwoesting, die de ziekte inde aardappels te weeg bracht, te verklaren is. Als oorzaak der ziekte werd namelijk eenige jaren na de verschijning met behulp van het mikroskoop een zwam gevonden, die men den naam van Peronospera infestans gaf. Soms reeds in Juni, meestal in Juli vindt men op eenige bladeren zwarte vlekken, die snel vermeerderen en van de bladeren zich over de stengels uitbreiden, totdat het loof geheel afsterft. Dit wordt door genoemde zwam te weeg gebracht en men ziet haar soms, als zij in sterke mate aanwezig is, reeds met het ongewapend oog als een wit stof aan de randen der zwarte vlekken boven op en onder aan de bladeren. Meestal is zij echter slechts onder het mikroskoop zichtbaar. Dewijl na het afsterven van het loof de aardappels niet meer groeien, verminderden de opbrengsten tot op 50 pCt. ja zelfs tot op 20 pCt. van die van vroeger. Herhaalde regenbuien bevorderen de vermeerdering der zwam, terwijl aanhoudend droog weer haar in ontwikkeling tegenhoudt, waaruit de ervaring te verklaren is dat de opbrengst der Aardappels na droge zomers goed, na natte slecht zijn. Dat de beste kuituur en bemesting geen goede aardappeloogsten kan te weeg brengen als het loof door de ziekte vermeld is, is volkomen duidelijk. Nu werd verder de opmerking gemaakt, dat de verschillende aardappelsoorten niet allen even sterk door de ziekte aangetast worden. Daardoor kwam men er toe om nieuwe soorten door zaaien te kweeken, die minder van de ziekte te lijden hadden. Dit gelukte, en van lieverlede hebben wij soorten verkregen, die niet alleen slechts weinig van de ziekte lijden, maar ook buiten dat reeds grooter opbrengst geven en rijker aan zetmeel zijn dan de oudere soorten, zoodat zij op dergelijke wijze verbeterd zijn als uit de kleine boschaardbezie door de kunst van den tuinbouw de aardbezie-soorten met groote vruchten ontstaan zijn. Deze nieuwe, aan de ziekte weerstand biedende aardappelsoorten gelukken bijna even goed na iedere soort van zomerweder, zoodat, wie een mislukten aardappeloogst verkrijgt zich zelf dit door het verbouwen van ongeschikte soorten te wijten heeft. Door het bovenstaande wordt het ook tevens verklaard, waarom onder de aardappelsoorten verschillen in opbrengst bestaan, zooals zij bij geen ander kultuurgewas voorkomen. Ik deel inde hier volgende tabel de gemiddelde opbrengst van o jaren mede die ik op mijne proefvelden verkreeg, waardoor het gezegde bevestigd wordt.

50