is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1889, no 4, 1889

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verminderde vruchtbaarheid van poldergronden

I J3 SiS j & i 3 Gaat af in ronde j*g g- |g- * Komt bij in ronde -S g- |g- -g^ sommen aan: $ £ -g £ -* s■- sommen aan: £ui -f 'X Jj § S ™ncSJ3= rnCU«-öS a |°° * pm g Km. Km. Kaas. . . 3000 142 12 46 51 Zaaikoren (tarwe) 1000 21 5 0.5 8 Tarwe . . 6000 124 31 3 47 Lijnkoeken. . . 3000 94 35 9.0 33 Haver . . 4000 77 19 427 Roggemeel. . . 1000 17 6 0.5 8.5 Vlaszaad . 1000 33 10 2 13 Maïsmeel . . . 2000 32 5 1.5 4.5 Vlasstengels 11000 106 76 46 Erwtenmeel . . 1000 35 10 1.5 9 Slachtvee . 1000 26 2 21 19 Veerslag uit de Varkens. . 500 10 1 44 lucht door regen, sneeuw enz. . . 180 Totaal ' ‘ 411 181 156 207 Totaal ' I . 379 SI 13.0 63.0 Af komt bij. . 379 51 13 62 Restant «Gaat af’ (2) ... . 32 130 143 145 als men in aanmerking neemt, dat er jaarlijks minstens 2 a 3 H.A. met klavergewassen worden beteeld en deze eene vrij groote hoeveelheid stikstof door de Maden uit de lucht kunnen opnemen, wat alzoo aan het „Komt bij” ten goede komt. 2°. Yan de bijna gelijke verliezen van potasch, kalk en phosphorzuur komt dat van de kalk weinig of niet in aanmerking, daar dit verlies door het kalkhoudende brakke drinkwater door het vee gebruikt, ruim vergoed wordt Anders is het echter met de kali en het phosphorzuur gesteld, welke stoffen inden regel belangrijk minder inden grond aanwezig zijn dan kalk. Wel zullen zij in pas ingedijkte gronden in groote mate aanwezig zijn, maar op die gronden wordt, zooals genoegzaam bekend is, inde eerste jaren door het telen van hoofdzakelijk kali- en phosphorzuurhoudende gewassen, vlas, mosterd, koolzaad enz., zulk een weergaloozen roofbouw gepleegd, dat na eenige jaren, hier wat korter daar wat langer, de steeds verminderende opbrengst van den oogst aantoont, dat de bodem, ten minste voor die gewassen, geen genoegzame hoeveelheid kali en phosphorzuur in voor de plant opneembaren toestand meer bevat. Dan volgt de bemesting en daarmede de teelt van andere minder aan genoemde stoffen behoefte hebbende gewassen, (de wisselbouw), wiens door de ervaring geijkte (?) wetten, gewoonlijk van vader op zoon zijn overgegaan. Wie nader mocht willen nagaan hoe het met die wetten is gesteld, vergelijke ze slechts met de tabellen van Wolff (3), of met de gekleurde graphische tabel van Peterman, „de gemiddelde samenstelling der voornaamste landbouw(l) Bij de percentage wij ze-verhoudi ngen van stikstof, potasch, kalk en phosphorzuur is E. Wolff’s "Practische Bemestingsleer” gevolgd, gedeeltelijk voorkomende in Staring’s «Landbouw-Almanak” 1888. (2) Kleinigheden als eieren, de wintermelk zijn hier niet in aanmerking genomen bij het gaat af, daarentegen ook niet bij het komt bij, wat aan brood, vleesch enz. voor het gezin wordt aangekocht. (3) Deze komen ook voor in E. J. v. Pesch » Handelsmeststoffen”, bovengenoemd, benevens in verschillende landbouwalmanakken.

59