is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1889, no 8, 1889

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAANDBLAD

YOOB DEN NEDERLANDSCHEN LANDBOUWER, ONDER REDACTIE TAS F. J. VAN PESCH, R. W. BOER en H, BOSKER. (Adres der Kedaetie aan eerstgenoemde te Wageningen.) Advertenüën aan den Uitgever W. E. J. Tabenk Willink A? Zwolle. 1889. N°. 8. RUPSEN IN DE POPULIEREN. Onder de vele insekten, welke dit jaar van zich doen spreken, behooren ook de rupsen, welke onze populieren teisteren, ja geheel kaal vreten, zoodat deze in ‘t ergste geval ten slotte bladerloos staan, evenals midden inden winter. Inden laatsten tijd las ik aangaande de vreterij in populieren berichten uit het Noorden zoowel als uit het Zuiden onzes lands. Ook inde nabijheid van Wageningen komen inde populieren thans veel rupsen voor. Naar alle waarschijnlijkheid behooren al deze rupsen, welke de populieren teisteren, tot ééne soort: die van den populierspinner of ringpoot (Liparis Salicis L.). De rups kan eene lengte van 45—47 mM. bereiken; zij bezit 8 paar pooten, nl. drie paar aan het borststuk en 5 paar aan het achterlijf. De buikkant en de zijden zijn grijs, wit en donkerder geaderd of gemarmerd; over de rugzijde loopt een bruinzwarte, overlangsche streep, geelachtig wit omrand. Over ’t midden van deze breede rugstreep ziet men eene reeks geelwitte, ongeveer boterkleurige vlekken, gewoonlijk twue op eiken lichaamsring. Bovendien staan in deze streep op elk lid twee roode wratten. Zulke wratten vindt men verder buiten deze streep nog: vooreerst in eene overlangsche lijn aan eiken kant, en verder nog eenige andere. Al deze wratten dragen bundels geelwitte haren, welke op den eersten lichaamsring naar voren zjjn gericht, waartusschen de dikke, grijze, aan de voor- en achterzijde glimmend zwarte kop wegschuilt. Men vindt de hier beschreven rupsen, welke vooral door hare geelwitte beharing en hare geelwitte rugvlekken in ’t oog vallen, vanaf het vroegste voorjaar tot inde eerste helft van Juni in populieren en ook in wilgen. Daar tegenwoordig de rupsen haren vollen wasdom hebben bereikt, vreten zij nu ’t meest en valt alzoo de door haar teweeggebrachte schade het meest in ’t oog. De vlinder, die aanleiding geeft tot het ontstaan der hier bedoelde rupsen, is ongeveer 17 mM. lang en heeft daarbij eene vlucht van + 45 mM. Hjj is geheel wit, echter niet als de witjesvlinders, die geelwit zijn, maar wit als het witste papier. De vleugels schitteren daarbij als zijde. De huidkleur van ’t achterlijf is zwart, en deze kleur schemert eenigszins tusschen de witte Maandblad. 8