is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1889, no 8, 1889

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RUPSEN IN DB POPULIEREN.

beharing door. De pooten zijn op eene eigenaardige wijze („zeer netjes’’, zou men zeggen) zwart en wit geringd. De sprieten hebben ieder eene dubbele rij aanhangselen, die bruinachtig van kleur zijn, en bij ’t wijfje kort, bij ’t mannetje veel langer zijn. Met oneigenaardig noemt men deze korte aanhangselen zaagtanden, de lange aanhangselen kamtanden. Men brengt de hier behandelde soort tot de familie der spinners: nachtvlinders, welker rupsen zich veelal in eene cocon inspinnen, terwijl andere soorten en hiertoe behoort juist de populierspinner eenige draden spinnen, waartusschen zij gaan hangen om te verpoppen. Maar hierover nader. De populierspinners vliegen in Juli. Door hunne witte kleur vallen zij zeer in ’t oog, èn wanneer ze over dag tegen de stammen van populieren of wilgen stilzitten, èn wanneer ze inde schemering bij duizendtallen rondvliegen; in jaren, wanneer zij in grooten getale aanwezig zijn, kan het dan soms wezen alsof er groote sneeuwvlokken vallen, die nu en dan door den wind in hunne richting worden veranderd. Als de vliegtijd der vlinders een poosje geduurd heeft, dan vindt men hunne lijken in massa’s op den grond liggen, of slechts hare vleugels, wanneer vleermuizen, sommige vogelsoorten, of ook glazenmakers in menigte er op af zijn gekomen. De vrouwelijke vlinders, die altijd een weinig grooter zijn dan de mannelijke, leggen, nadat ze bevrucht zijn, ieder een 160 tot 200 eieren, en wel in hoopjes, 2 tot 3 lagen over elkaar, aan boomstammen of bladeren. Deze eieren worden te gelijk met eene soort van schuim uit het lichaam des vlinders verwijderd, welk schuim weldra inééndroogt, en de eitjes aan elkaar en aan den stam of het blad vasthoudt. Juist doordat tusschengevoegde schuim lijken de bewuste eihoopjes wel wat op een hoopje speeksel. Wèl wordt door vele Duitsche schrijvers beweerd, dat de rupsjes gewoonlijk eerst na den winter uitkomen, en dat het uitzondering is, wanneer zij reeds in ’t najaar verschijnen. Ik voor mij moet echter zeggen, dat ik de rupsjes van den populierspinner steeds in ’t najaar, of zelfs reeds inde tweede helft van den zomer (Augustus) zag uitkomen. Ook geloof ik dat dit regel moet zijn, omdat de vlinder soms de eieren aan bladeren legt. Een insekt, welks eieren bestemd zijn als zoodanig te overwinteren, legt deze nooit aan bladeren, welke immers inden herfst zouden afvallen en dan door den wind her- en derwaarts worden verbreid, op wie weet hoe grooten afstand van de plaatsen, waar boomen groeien, met welker bladeren de bewuste rupsen zich zouden kunnen voeden. Gewoonlijk geschiedt, volgens mijne ervaring, het volgende. De rupsjes komen in ’t begin van den herfst, inden nazomer, of zelfs inde tweede helft van den zomer, uit de eieren te voorschijn. Al naarmate zij vroeger of later in het jaar uitkomen, vreten zij vóór den aanvang van het gure jaargetijde meer of minder aan de bladeren. Toch is in geen geval de door haar in dezen tijd teweeggebrachte schade van eenige beteekenis, want de bladeren zijn dan volkomen volwassen, soms reeds op ’t punt van af te sterven, en de kleine rupsjes vreten niet veel.

114